De provincie Limburg gebruikt cookies om jouw surfervaring op deze website gemakkelijker te maken.

Strikt noodzakelijke cookies
Deze cookies zijn strikt noodzakelijk om in de site te navigeren, of om te voorzien in door jou aangevraagde faciliteiten.
Functionaliteitscookies
Deze cookies verbeteren van de functionaliteit van de website door het opslaan van jouw voorkeuren.
Prestatiecookies
Deze cookies helpen om de prestaties van de website te verbeteren, waardoor een betere gebruikerservaring ontstaat.
Online surfgedrag gebaseerde reclame cookies
Deze cookies worden gebruikt om op de gebruiker op maat gemaakte reclame en andere informatie te tonen.

Subsidiereglement Leisurefonds - investeringssubsidie

Laatst aangepast dinsdag, 27 oktober 2020, 13.26 u.

De provincieraad van Limburg

Gelet op volgende doelstelling, actieplan en actie van het provinciale beleid 2020-2025:

  • beleidsdoelstelling BD000001” Limburg als een dynamische hedendaagse provincie doorontwikkelen door positieve economische verbanden, innovatie, onderzoek en talentontwikkeling te stimuleren”
  • actieplan AP000003 “Consolideren van koppositie in belevenis- en betekenistoerisme voor dichtbijvakantie”
  • actie AC000012 “Initiëren en ontwikkelen van kansrijke cross-overs”;

Overwegende dat Limburg een sterke positie op de binnenlandse en euregionale markt van de dichtbijvakantie heeft verworven als populaire bestemming;
dat deze positie zich vertaalt in een groot aantal aankomsten, overnachtingen en bezoekers:

  • in 2019 werden 4,3 miljoen overnachtingen in Limburg vastgesteld, gemiddeld verblijft een toerist in Limburg 3,11 nachten, terwijl de gemiddelde verblijfsduur in de rest van Vlaanderen 2,35 nachten is;
  • de 47 Limburgse attracties die deelnamen aan de Bezoekersbarometer ontvingen in 2019 meer dan 2,5 miljoen bezoekers;
  • in 2019 werden op het toeristische fietsroutenetwerk meer dan 3,1 miljoen recreatieve fietsers geteld;

Overwegende dat de vrijetijdseconomie het voorbije decennium is uitgegroeid tot een sterk economisch speerpunt, met een vitaal zelfstandig ondernemerschap en een groot aandeel in de Limburgse werkgelegenheid:

  • de algemene toeristische kerncijfers van Limburg in 2018 wijzen 36 333 jobs toe aan de toeristische sector, dit staat gelijk aan 1 op elke 10 jobs in Limburg;
  • de economische impact van het Limburgse verblijfstoerisme in 2018 was 422 miljoen euro, de gemiddelde besteding per persoon per nacht bedroeg meer dan 97 euro;

Overwegende de grote impact van COVID-19 op de toeristische markt;
dat de wereldwijde pandemie heeft geleid tot een versnelling van de transitie van de toeristische markt, waarbij nieuwe tendensen en consumentenverwachtingen versneld nieuwe marktvragen hebben doen ontstaan;
dat de marktwaarde van de dichtbijvakantie exponentieel is toegenomen waarbij een bijkomend economisch potentieel voor Limburg is ontstaan;
dat ook de Limburgers de toeristische kwaliteiten van de eigen provincie terug hebben leren ontdekken, zoals ook blijkt uit de stijging met meer dan 60 % van het aantal recreatieve fietsers op het Limburgse toeristische fietsroutenetwerk en uit de exponentieel gestegen fietsverkoop;

Overwegende dat de economische valorisatie van deze marktwaarde van Limburg als bestemming voor een dichtbijvakantie geen automatisme is;
dat hiervoor moet worden ingezet op bijkomende beleving en het creëren van authentieke vakantieherinneringen;
dat hiervoor nog een groot potentieel ligt bij de cross-overs van de toeristische kwaliteiten en troeven van Limburg, bij het leggen van verbindingen tussen natuur en landschap, recreatief fietsen, streekproducten en gastronomie, retail, erfgoed, vakmanschap, …. en bij samenwerking tussen bedrijven;
dat deze verbindingen niet organisch zullen ontstaan maar dat er daarentegen een stimulerende investeringscontext moet worden gecreëerd;

Overwegende dat de evolutie van de toeristische markt de vaststelling heeft verscherpt dat er geen éénduidige definitie van de toerist of gast bestaat;
dat de toeristische markt wordt gevormd door verschillende doelgroepen, met als gevolg een differentiatie van verwachtingen en wensen;
dat deze doelgroepen moeten worden benaderd met een specifieke customer journey (klantenbeleving) en dat dit een grote flexibiliteit en organiserend vermogen van de toeristische ondernemers vereist;
dat digitalisering hierin een rol kan spelen en ondernemers hierin moeten worden ondersteund;

Overwegende dat met het provinciale Leisurefonds wordt ingespeeld op de gewijzigde toeristische markt en nieuwe impulsen worden gegeven aan het toeristische ondernemerschap om innovatieve producten, diensten en processen te ontwikkelen;
dat de innovatiestimulering is gebaseerd op het verbinden van kennis en expertise binnen de sector of op sectoroverstijgende samenwerking;
dat het Leisurefonds aan de bedrijven behorende tot de NACE-codes toerisme en horeca kansen geeft om ofwel samen te werken met collega-ondernemers of organisaties uit de vrijetijdseconomie ofwel de eigen expertise te verbinden met ondernemers of organisaties uit andere economische sectoren;
dat de partners een gelijkwaardig aandeel in de innovatie moeten leveren en klanten-leveranciersrelaties van provinciale subsidie zijn uitgesloten;

Overwegende dat aan elk innovatietraject financiële risico’s zijn verbonden;
dat dit voor veel ondernemers een grote drempel is en zeker voor de ondernemingen in de vrijetijdseconomie die vaak micro-ondernemingen zijn, met beperkte winstmarges en hierdoor geringe financiële reserves hebben;
dat het Leisurefonds de financiële drempel wil verkleinen door in het volledige innovatietraject een impuls te geven;
dat door de ondersteuning van de verdieping en uitwerking van een concept in een businessplan inzicht kan worden gegeven over de haalbaarheid van een creatief idee of concept;
dat ook de gehele of gedeeltelijke uitvoering van het businessplan moet worden ondersteund zodat de return on investment sneller kan worden bereikt;

Overwegende dat deze innovatie directe effecten kan hebben op de bedrijfsgroei van de deelnemende partners;
dat op mesoniveau innovatie in de vrijetijdseconomie de groei van de sector nog kan versterken en versnellen;
dat dit provinciaal Leisurefonds dan ook een instrument is dat past in de SALKturbo-strategie waarin de verdere ontwikkeling van de vrijetijdseconomie is vervat; 

Overwegende dat het provinciale Leisurefonds volledig past in het gastenplan 2020-2025 van Toerisme Limburg vzw, in het bijzonder in de operationele doelstelling 4 “De sector financiële impulsen geven om te investeren in een kwalitatief en betekenisvol aanbod, in lijn met de Limburgse identiteit” onder strategische doelstelling 3 “Publiek en privaat ondernemerschap versterken voor een duurzame groei”;

Overwegende dat het om bovenvermelde redenen aangewezen is om over te gaan tot de vaststelling van een subsidiereglement;

Gelet op de verordening (EG) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun (Publicatieblad van 24 december 2013, L 352 en alle latere wijzigingen van die verordening);

Overwegende dat de steun in het kader van deze subsidie wordt beschouwd als “de-minimissteun”;
dat de “de-minimisregeling” de mogelijkheid biedt om steun gelimiteerd tot 200.000,00 euro per 3 jaar toe te kennen aan ondernemingen en dat de periode van 3 jaar een rollend karakter heeft;
dat alle overheidssteun die onder “de-minimis” valt, meetelt om te bepalen of de limiet van 200.000,00 euro per 3 jaar al dan niet overschreden wordt;
dat, indien de onderneming een verbonden onderneming is, deze “de-minimisdrempels” voor het groepsniveau van de verbonden ondernemingen gelden;

Overwegende dat de provincie Limburg een vooruitstrevend beleid voert voor wat betreft de toegankelijkheid van het eigen provinciale patrimonium en wenst dat lokale besturen en privépartners die een provinciale investeringssubsidie ontvangen een inspanning zouden leveren om de toegankelijkheid van infrastructuur en informatie te verhogen;

Gelet op de wet van 14 november 1983 betreffende de controle op de toekenning en op de aanwending van sommige subsidies;

Gelet op het besluit van de provincieraad van 24 oktober 2012 betreffende de controle op de toekenning en de aanwending van subsidies en de normen voor reservevorming;

Gelet op het besluit van de provincieraad van 20 maart 1996 betreffende de herkenbaarheid van het provinciebestuur in provinciale subsidiereglementen;

Gelet op de budgetsleutel 2020/664000/2/0521 – Toegestane investeringssubsidies/Toerisme-Sectorondersteuning van het provinciale meerjarenplan;

Gelet op artikel 42 van het provinciedecreet;

Besluit

I Voorwerp van het subsidiereglement

Artikel 1: doel en doelgroep

Binnen de perken van het vastgestelde financiële meerjarenplan kan de deputatie een subsidie verlenen aan sectorale en sectoroverstijgende samenwerking tussen bedrijven en/of organisaties die via innovatie, modificatie en verbetering van bestaande producten, nieuwe producten, diensten of processen in de vrijetijdseconomie ontwikkelen.

Deze subsidie bestaat uit twee onderdelen: in eerste instantie wordt ondersteuning gegeven voor de opmaak van een businessplan over een projectidee (fase 1 - kandidaatstelling), in tweede instantie is er ondersteuning voor investeringen gerelateerd aan de uitvoering van het betreffende businessplan (fase 2 - projectaanvraag).

Dit reglement draagt bij tot de verdere uitbouw van een veerkrachtige en toekomstbestendige vrijetijdseconomie en de positionering van Limburg op de Vlaamse en internationale markt als florerende bestemming.

Artikel 2: verklaring termen of begrippen

  • Cross-over: samenwerking tussen bedrijven en/of organisaties uit verschillende sectordomeinen die ieder expertise uit het eigen sectordomein aanbrengen ter realisatie van een nieuw product, dienst of proces.
  • Innovatie: het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande kennis en vaardigheden of producten, met het oog op het ontwikkelen van nieuwe of verbeterde producten, diensten en processen.
  • Privaatrechtelijke onderneming: ondernemingen die zijn opgericht hetzij door privé-initiatief, hetzij door een overheid, in de vorm van een privaatrechtelijk rechtspersoon.
  • Samenwerkingsovereenkomst: overeenkomst die de inhoudelijke, administratieve en financiële wederzijdse verantwoordelijkheden inzake de gemeenschappelijke realisatie van een project regelt, die tussen minstens twee bedrijven en/of organisaties is opgesteld en die ondertekend wordt door een rechtsgeldige vertegenwoordiger van de betrokken bedrijven en/of organisaties. Specifiek: met betrekking tot voorliggend reglement: tussen de eerste en de tweede fase van het projectverloop kan de samenstelling van projectpartners wijzigen.
  • Lead partner: het bedrijf of de organisatie in een samenwerkingsverband dat/die fungeert als eerste aanspreekpunt. Naast de administratieve en financiële coördinatie, neemt hij of zij ook de leiding van het project op zich. De lead partner draagt de eindverantwoordelijkheid voor de uitvoering van het project. Correspondentie en uitbetaling van subsidies vinden alleen plaats t.a.v. de lead partner. Specifiek: met betrekking tot voorliggend reglement: de lead partner kan tijdens het volledige projectverloop niet wijzigen: zowel in fase 1 als in fase 2 blijft de lead partner ongewijzigd.
  • Businessplan: beschrijving van de manier waarop een idee wordt uitgewerkt tot een project in uitvoering, een businessplan bevat minimaal volgende onderdelen: een marktanalyse, een concrete uitwerking van het idee aan de hand van een timing met belangrijkste acties, mijlpalen en betrokken partijen, een financieel plan en een marketingplan.
  • NACE-code:een code die toegekend wordt aan een bepaalde klasse van commerciële of niet-commerciële economische activiteiten. NACE is dus een officiële lijst van activiteitsomschrijvingen.
  • Vrijetijdseconomie: de productie, distributie en consumptie van goederen en diensten voor de vrijetijdsbesteding van mensen. Binnen de context van dit reglement wordt deze definitie afgebakend tot: alle bedrijven en organisaties die werkzaam zijn binnen NACE 55 of NACE 56 of die een nauwe relatie hebben met bedrijven en/of organisaties binnen deze NACE-codes.

II Voorwaarden voor subsidietoekenning

Artikel 3: voorwaarden waaraan de aanvrager moet voldoen

Om in aanmerking te komen voor een subsidie moet de aanvrager aan de volgende specifieke voorwaarden voldoen.

Fase 1 - kandidaatstelling

  • De aanvrager is een privaatrechtelijke organisatie met maatschappelijke zetel of een bewezen exploitatie in Limburg.

Fase 2 - projectaanvraag

  • De aanvrager is een privaatrechtelijke organisatie met maatschappelijke zetel of een bewezen exploitatie in Limburg EN
  • De aanvrager is lead partner van een samenwerkingsverband dat minstens uit 2 partners bestaat en dat voldoet aan alle volgende criteria:
    • minstens één partner in de samenwerking is actief binnen de sector toerisme (NACE 55) en/of de sector horeca (NACE 56)
    • de samenwerkingsmodaliteiten zijn beschreven in een overeenkomst die door alle betrokken partijen ondertekend werd.

In beide fases moet de aanvrager voldoen aan volgende algemene voorwaarden:

  • voldoen aan alle verplichtingen die voortvloeien uit eerdere toekenningen van gelijkaardige of andere subsidies van de provincie Limburg
  • in de periode van 3 jaar voor het indienen van de aanvraag nog geen subsidie in het kader van dit reglement ontvangen hebben.

Artikel 4: voorwaarden waaraan het project inhoudelijk moet voldoen

Om in aanmerking te komen voor een subsidie moet het project inhoudelijk aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • in directe relatie staan tot de eigenheid en identiteit van Limburg als toeristische regio en uitgevoerd worden in Limburg
  •  gericht zijn op de ontwikkeling van producten, diensten of processen in de sector van de vrijetijdseconomie, dit op één of meer van volgende terreinen:
    • de creatie van een innovatieve beleving voor de (toekomstige) gast
    • het bereiken van specifieke doelgroepen en markten
    • de inzet van innovatieve digitale technologie met het oog op een verbeterde relatie met de (toekomstige) gast en/of met het doel om ondernemingen in de vrijetijdseconomie te versterken
  • uitvoerbaar zijn binnen volgende termijnen: het businessplan opmaken binnen 6 maanden na de indiening van de kandidaatstelling, het project uitvoeren binnen 1,5 jaar na de indiening van de aanvraag
  • voldoen aan de vereisten van de omgevingsvergunning en van alle andere vergunningen als het gaat om investeringswerken waarvoor een omgevingsvergunning en/of andere vergunning vereist is.

Artikel 5: voorwaarden waaraan het project financieel moet voldoen

Om in aanmerking te komen voor een subsidie moet het project financieel aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • een subsidie in het kader van dit reglement kan met andere steunmaatregelen worden gecumuleerd onder voorwaarde dat het geen provinciale steunmaatregelen betreft en dat er geen subsidiëring is van meerdan 100 %
  • de financiële coherentie van het project is een onderdeel van de beoordeling (zie artikel 11).

Artikel 6: de-minimis

De steun die in het kader van deze subsidie wordt gegeven, wordt beschouwd als “de-minimissteun”, zoals bepaald in de verordening (EG) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun (Publicatieblad van 24 december 2013, L 352) en alle latere wijzigingen van die verordening.

De “de-minimisregeling” biedt de mogelijkheid om steun toe te kennen aan ondernemingen gelimiteerd tot 200.000,00 euro per 3 jaar. De periode van 3 jaar heeft een rollend karakter. Het is belangrijk om te weten dat alle overheidssteun die onder “de-minimis” valt, meetelt om te bepalen of de limiet van 200.000,00 euro per 3 jaar al dan niet overschreden wordt.

Indien de aanvraag betrekking heeft op een project gerealiseerd in een samenwerkingsverband (wat een voorwaarde is bij een aanvraag in fase 2), geldt de “de-minimisregeling” voor iedere partner in dit samenwerkingsverband.

Om na te gaan of de de-minimisdrempel al dan niet overschreden werd, moet er van iedere partner in het samenwerkingsverband een de-minimisverklaring aan het dossier toegevoegd worden.

III Indiening van de subsidieaanvraag

Artikel 7: de termijn, wijze en het adres van de indiening van de aanvraag

Het indienen van een aanvraag gebeurt in twee fasen.

Fase 1 - kandidaatstelling

De aanvrager dient via het betreffende aanvraagformulier en bijhorende documenten (zoals beschreven in artikel 8) voor zijn/haar project een kandidaatstelling in.

Kandidaatstellingen moeten uiterlijk 30 maart (eerste ronde van het budgetjaar) of uiterlijk 30 september (tweede ronde van het budgetjaar) ingediend worden.

Projecten die in deze fase een positieve beoordeling ontvangen worden op de shortlist geplaatst en ontvangen een subsidie voor de opmaak van het businessplan.

Fase 2 - projectaanvraag

Kandidaten waarvan het project op de shortlist werd geplaatst, stellen een businessplan op. Aan de hand van het businessplan kunnen zij een projectaanvraag indienen via het betreffende aanvraagformulier en dienen ze de documenten zoals beschreven in artikel 8 in.

Deze aanvraag moet ingediend worden ten laatste 6 maanden na de indiening van de goedgekeurde kandidaatstelling, waarbij opnieuw 30 maart of 30 september de uiterste indiendatum is.

Alle aanvragen kunnen op volgende wijze gebeuren:

  • per post
  • elektronisch
  • afgeven tegen ontvangstbewijs.

Elektronische indiening geniet de voorkeur.

Alle aanvragen moeten ingediend worden op volgend adres:

Vrijetijdseconomie - Directie Ondernemen
provincie Limburg
Universiteitslaan 1
3500 Hasselt

Tel. 011 23 75 47
e-mail: toerisme@limburg.be 

Meteen na het indienen wordt de ontvangst van de aanvraag bevestigd en worden het verdere verloop en eventuele bijkomende instructies meegedeeld aan de aanvrager.

Artikel 8: documenten in te dienen bij de aanvraag

Voor iedere aanvraag moeten de volgende documenten ingediend worden:

Fase 1 - kandidaatstelling

  • Een volledig ingevuld, gedateerd en ondertekend aanvraagformulier “kandidaatstelling”.
  • Een beschrijving van het project met een opgave van:
    • de situering van het project waaruit blijkt dat het project inspeelt op
      • actuele en nieuwe toeristische tendensen
      • de positionering van Limburg op de Vlaamse en internationale markt als florerende bestemming
    • een duidelijke beschrijving waaruit blijkt dat het project inspeelt op minstens één van de volgende thema’s in de vrijetijdseconomie:
      • de creatie van een innovatieve beleving voor de (toekomstige) gast
      • het bereiken van specifieke doelgroepen en markten
      • de inzet van innovatieve digitale technologie met het oog op een verbeterde relatie met de (toekomstige) gast en/of met het doel om ondernemingen in de vrijetijdseconomie te versterken
    • de mate waarin het project een economische hefboom is.
  • Een beschrijving van de wijze waarop het businessplan zal opgemaakt worden (timing, methodiek, budget), gestaafd aan de hand van een geldige offerte, gedateerd maximaal één maand vóór de indiendatum.
  • Een beschrijving van de sector waarin het project zich situeert en van potentiële partners.
  • Een ingevulde, gedateerde en ondertekende de-minimisverklaring zoals beschreven in artikel 6.
  • De meest recente goedgekeurde statuten, balans en resultatenrekening van de aanvrager. Deze moeten niet ingediend worden als zij raadpleegbaar zijn via de Kruispuntbank Ondernemingen of via de website van de Balanscentrale van de Nationale Bank van België.

Fase 2 - projectaanvraag

  • Een volledig ingevuld, gedateerd en ondertekend aanvraagformulier “projectaanvraag”.
  • Het businessplan.
  • Een projectplan met een opgave van:
    • een overzicht van alle acties, waarbij per actie wordt toegelicht welk het doel is van de actie, wie de uitvoerder is en op welke wijze de actie geëvalueerd wordt
    • een gedetailleerde timing voor de uitvoering van het project
    • een gedetailleerde en gestaafde begroting van ontvangsten en uitgaven. De begroting moet gedetailleerd uitgewerkt worden per post (investeringen, personeel, werking, externe expertise) en per projectpartner, de aard van iedere uitgave en/of ontvangst moet nauwkeurig beschreven worden
    • de relatie tussen het projectplan en het businessplan.
  • Een door alle partners ondertekende samenwerkingsovereenkomst zoals beschreven in artikel 2.
  • Per partner een ingevulde, gedateerde en ondertekende de-minimisverklaring zoals beschreven in artikel 6.
  • Per partner: de meest recente goedgekeurde statuten, balans en resultatenrekening, deze moeten niet ingediend worden als zij raadpleegbaar zijn via de Kruispuntbank Ondernemingen of via de website van de Balanscentrale van de Nationale Bank van België.
  • Met betrekking tot vergunningen (waaronder de omgevingsvergunning): indien vergunningsplichtig: de vereiste vergunningen of het bewijs van aanvraag van deze vergunningen. Indien het project niet vergunningsplichtig is moet de aanvrager een verklaring op eer toevoegen waaruit blijkt dat geen vergunning vereist is.
  • Indien van toepassing: een overeenkomst met de Private Stichting Toegankelijk Vlaanderen over het bewaken van de fysieke en mentale toegankelijkheid in het kader van het project. Indien dit niet van toepassing is moet de aanvrager in zijn aanvraagdossier aangeven waarom toegankelijkheid geen aandachtspunt is in de realisatie van het project.

Bij een elektronische aanvraag geldt het mailbericht als ondertekening.

De aanvraagformulieren kunnen op het adres vermeld in bovenvermeld artikel opgevraagd worden of kunnen van de website www.limburg.be worden gehaald.

IV Toetsing van de subsidieaanvraag

Artikel 9: toetsing op tijdigheid

Er zijn twee indiendata per budgetjaar: 30 maart en 30 september.

Voor wat betreft de aanvragen Fase 1 – kandidaatstelling

Aanvragen die worden ingediend na 30 maart en vóór 30 september van het lopende jaar worden pas behandeld vanaf 30 september van dat jaar.

Aanvragen die worden ingediend na 30 september van het lopende jaar komen dat jaar niet meer in aanmerking voor een subsidie in het kader van dit reglement. De aanvrager moet in het nieuwe budgetjaar een nieuwe aanvraag indienen om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie. De aanvrager zal hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld worden.

Voor wat betreft de aanvragen Fase 2 - projectaanvraag

Aanvragen voor een investeringssubsidie moeten ten laatste worden ingediend 6 maanden na de uiterste indiendatum van de ronde waarin de kandidaatstelling werd ingediend en goedgekeurd. Een aanvrager wiens kandidaatstelling werd ingediend en goedgekeurd in de eerste ronde (met als uiterste indiendatum 30 maart) moet zijn aanvraag voor een investeringssubsidie dus vóór 30 september indienen. Eenzelfde redenering wordt gevolgd in het geval van een kandidaatstelling die werd ingediend en goedgekeurd in de tweede ronde (waarbij 30 september de uiterste indiendatum is): daar moet de aanvraag voor een investeringssubsidie ingediend worden vóór 30 maart in het volgende jaar.

De postdatum of bij onleesbaarheid de datum van ontvangst bij het bestuur geldt als datum voor de toetsing.

Artikel 10: toetsing op volledigheid

De aanvraag wordt onderzocht op volledigheid.

De aanvrager die een onvolledige aanvraag indient, krijgt schriftelijk de vraag om de ontbrekende documenten alsnog in te dienen binnen de meegedeelde termijn.

De aanvraag wordt slechts verder behandeld na indiening van alle ontbrekende documenten. De ontvangst van de ontbrekende documenten wordt meteen bevestigd.

Een aanvraag kandidaatstelling die niet vervolledigd werd binnen deze termijn komt in dat jaar niet meer in aanmerking voor een subsidie in het kader van dit reglement.

Een projectaanvraag voor een investeringssubsidie die niet vervolledigd werd binnen deze termijn komt niet meer in aanmerking voor een subsidie in het kader van dit reglement.

Hiervan wordt een aanvrager schriftelijk in kennis gesteld.

Artikel 11: toetsing aan de voorwaarden waaraan de aanvrager moet voldoen en aan de voorwaarden waaraan het project inhoudelijk moet voldoen

Alle aanvragen (fase 1 en fase 2) worden getoetst aan de voorwaarden vermeld in artikels 3, 4, 5 en 6 van dit reglement.

Alle aanvragen die voldoen aan de hier beschreven voorwaarden worden vóór de beslissing over het al dan niet toekennen van de subsidie ter beoordeling voorgelegd aan een jury die door de deputatie wordt opgericht, samengesteld en opgeheven.

Deze jury komt, op afroep en minstens binnen een termijn van 6 weken na de hierboven beschreven indiendata, samen en formuleert voor iedere aanvraag een beoordeling na een toetsing van de aanvraag aan volgende criteria.

Fase 1 – kandidaatstelling

Inhoudelijke criteria:

  • de mate waarin het project inspeelt op actuele en toeristische tendensen (50 punten)
    • gaat het project in op actuele toeristische tendensen? Welke?
    • speelt het project in op actuele noden van toeristen/recreanten? Welke?
  • de mate waarin het project bijdraagt tot de toeristische positionering van Limburg (30 punten)
    • gaat het project in op opportuniteiten inzake het versterken van de Limburgse toeristische markt? Welke?
    • sluit het project aan bij de identiteit van Limburg als toeristische bestemming? Op welke manier?
  • de mate waarin het projectidee een economische hefboom voor Limburg kan zijn (20 punten)
    • zijn er opportuniteiten om via het projectidee cross-overs te realiseren? Op welke manier?
    • draagt de realisatie van het projectidee bij tot de versterking van de Limburgse vrijetijdseconomie? Op welke manier?

Projecten moeten een totaal van minstens 60 punten behalen.

Fase 2 – projectaanvraag

Inhoudelijke criteria:

  • de mate waarin het project inspeelt op actuele en toeristische tendensen (10 punten)
    • gaat het project in op actuele toeristische tendensen? Welke?
    • speelt het project in op actuele noden van toeristen/recreanten? Welke?
  • de mate waarin het project bijdraagt tot de toeristische positionering van Limburg (10 punten)
    • gaat het project in op opportuniteiten inzake het versterken van de Limburgse toeristische markt? Welke?
    • sluit het project aan bij de identiteit van Limburg als toeristische bestemming? Op welke manier?
  • de mate waarin het projectidee een economische hefboom voor Limburg kan zijn (20 punten)
    • zijn er opportuniteiten om via het projectidee cross-overs te realiseren? Op welke manier?
    • draagt de realisatie van het projectidee bij tot de versterking van de Limburgse vrijetijdseconomie? Op welke manier?
    • welke impact zal het project opleveren in termen van bezetting, omzet, jobs, …?
  • de aard van de samenwerking (20 punten)
    • wie zijn de projectpartners? Wordt er enkel met privaatrechtelijke organisaties samengewerkt of ook publiekrechtelijke organisaties? Komen de projectpartners uit verschillende sectoren of uit dezelfde sector?
    • waaruit bestaat de inbreng van de projectpartners?
  • de relatie tussen het businessplan en de projectaanvraag (10 punten)
    • is het voldoende duidelijk welke de relatie is tussen het businessplan en de projectaanvraag? Wordt er voldoende duiding gegeven bij de keuzes over de uitvoering van (onderdelen van) het businessplan? Zijn die keuzes te verantwoorden?

Financiële criteria:

  • financiële haalbaarheid en coherentie (20 punten)
    • staan de kosten in een evenwichtige verhouding tot de voorgestelde projectactiviteiten en tot de beoogde resultaten?
    • is er een sluitend financieringsplan?
  • efficiëntie en aanpak (10 punten)
    • worden de beoogde acties efficiënt en doeltreffend uitgevoerd?

Projecten moeten een totaal van minstens 60 punten behalen, met een minimale score van 50 % op zowel het totaal van de inhoudelijke criteria als op het totaal van de financiële criteria.

Artikel 12: toetsing op krediet

Indien de kredieten die in het betreffende jaar van het meerjarenplan voor dit reglement zijn ingeschreven, uitgeput zijn, komt de aanvraag in het betreffende jaar niet meer in aanmerking voor toekenning.

Indien de kredieten die in het betreffende jaar van het meerjarenplan voor dit reglement zijn ingeschreven ontoereikend zijn, wordt in de eerste plaats rekening gehouden met de kwaliteit van de ingediende subsidieaanvragen en komen de aanvragen met de hoogste score, zoals omschreven in artikel 11, eerst in aanmerking.

Aanvragen die hierdoor geen subsidie ontvangen kunnen bij een volgende indiendatum een geactualiseerde subsidieaanvraag indienen die in zijn geheel opnieuw getoetst wordt aan de voorwaarden vermeld in dit reglement.

De aanvrager zal hiervan schriftelijk op de hoogte worden gebracht.

Artikel 13: besluitvorming over de subsidieaanvraag

De deputatie beslist op basis van het juryrapport of de aanvraag al of niet in aanmerking komt voor een subsidie en bij toekenning van de subsidie welk subsidiebedrag wordt toegekend.

De aanvrager zal schriftelijk in kennis gesteld worden van de beslissing.

V Berekening van het subsidiebedrag

Artikel 14: bepaling van het subsidiebedrag

Het subsidiebedrag is afhankelijk van de fase van het project:

Fase 1 – kandidaatstelling

De subsidie bedraagt de kosten voor de opmaak van een businessplan, met een maximum van 15.000,00 euro.

Het subsidiebedrag wordt toegekend aan de hand van de in het aanvraagdossier opgenomen offerte over de opmaak van een businessplan. Enkel kosten die betrekking hebben op de externe begeleiding bij de opmaak van een businessplan komen in aanmerking. Kosten met betrekking tot andere uitgavenposten zoals catering, kosten gerelateerd aan de inzet van eigen personeel, …. (niet-limitatieve opsomming) komen niet in aanmerking.

Het definitieve subsidiebedrag wordt bepaald op basis van de werkelijke uitgaven, na de indiening van de nodige documenten ter verantwoording van de toegekende subsidie. Enkel uitgaven die betrekking hebben op de inzet van één of meer externe begeleiders ná de indiening van de kandidaatstelling en die bewezen en officieel boekhoudkundig ingeschreven zijn, worden aanvaard voor de bepaling van het definitieve subsidiebedrag.

De aanvrager kan deze subsidie niet cumuleren met een andere provinciale subsidie, wel met iedere andere financiële inbreng. Deze financiële inbreng moet vermeld worden in het financiële verslag. Het totaal van alle ontvangsten mag de totale kost van de opmaak van het businessplan niet overschrijden.

Fase 2 – projectaanvraag

De subsidie bedraagt maximaal 70 % van de door de deputatie aanvaarde subsidiabele kosten, met een maximum van 110.000,00 euro.

De aanvrager kan deze subsidie niet cumuleren met een andere provinciale subsidie, wel met iedere andere financiële inbreng. Deze financiële inbreng moet vermeld worden in het financiële verslag. Het totaal van alle ontvangsten mag de totale projectkost niet overschrijden.

Het subsidiebedrag wordt toegekend op basis van de door de aanvrager ingediende raming van de uitgaven zoals opgenomen in de projectaanvraag voor de investeringssubsidie.

Het definitieve subsidiebedrag wordt na de projectuitvoering berekend op basis van de werkelijke uitgaven en nadat aan de voorwaarden zoals beschreven in artikels 17 en 18 is voldaan. Enkel uitgaven die direct toewijsbaar zijn aan de uitvoering van het project, gebonden aan prestaties die gedaan zijn ná de indiening van de subsidieaanvraag, gedetailleerd bewijsbaar zijn en die officieel boekhoudkundig ingeschreven zijn, worden aanvaard voor de bepaling van het definitieve subsidiebedrag.

De bepaling van de provinciale investeringssubsidie kan beperkt worden tot bepaalde uitgavenelementen.

Volgende kosten komen in aanmerking voor een investeringssubsidie:

  1. investeringskosten (minimaal 60 % van de totale kosten)
    Alleen investeringsuitgaven die na de indiening van de subsidieaanvraag worden gemaakt, worden voor de subsidieberekening aanvaard op voorwaarde dat de investeringen duidelijk omschreven worden en dat zonder deze investeringen de projectuitvoering niet kan worden gerealiseerd. Investeringskosten komen enkel in aanmerking voor de afschrijvingsperiode die overeenkomt met de projectduur en evenredig met de inzet ervan voor het project. Deze afschrijvingstermijnen moeten kunnen aangetoond worden in de boekhouding van de organisatie.
  2. exploitatiekosten (maximaal 40 % van de totale kosten)
    Onder exploitatiekosten vallen volgende kostenposten:
    • werkingskosten
      De werkingskosten zijn kosten en uitgaven die zich zonder het project niet zouden hebben voorgedaan en betreffen o.m. de rechtstreeks aan het project verbonden uitgaven voor verbruiksmaterialen, hulpgoederen, grondstoffen en gereedschappen waarvan de verwachte levensduur de duur van de looptijd van het project niet overschrijdt, de huur die aan derden moet worden betaald voor het gebruik van gebouwen, lokalen, apparatuur en infrastructuur voor het uitvoeren van een actie binnen het project, …
      Volgende werkingskosten zijn uitgesloten voor de subsidieberekening: afschrijvingskosten voor het gebruik van bestaande infrastructuur (gebouwen, materieel, installaties, meubilair en rollend materieel, …), verhuur aan zichzelf of “interne huuraanrekening” (dit is het aanrekenen van een huurprijs voor het ter beschikking stellen van een gebouw en infrastructuur), de kosten voor het huren van een gebouw of lokalen waar de projectaanvrager of de partners gevestigd zijn, computerkosten voor occasioneel gebruik, …
    • personeelskosten
      Als personeelskosten worden uitsluitend de loonkosten (aan standaarduurtarief) van de rechtstreeks bij het project betrokken personeelsleden in aanmerking genomen.
      Het moet duidelijk zijn wat de taken zijn van het personeelslid in het kader van het project. De diverse taken van het personeel moeten opgesplitst worden in een aantal mandagen. Er moet een raming gemaakt worden van het aantal uren dat ieder personeelslid aan het project zal besteden.
      Alle personeelskosten moeten per maand aangerekend worden in het financiële eindverslag en gestaafd worden aan de hand van de loonfiches van de personeelsleden.
      Het standaarduurtarief (maximum 100,00 euro/uur) wordt berekend door het voltijds basisbrutomaandloon van een medewerker te vermenigvuldigen met een factor van 1,2 %. Deze factor wordt vastgesteld uit een redelijk aandeel van de loonkosten bovenop het brutoloon en eventuele loonkostreducties voor de werkgever en werknemer. Dit is een vaste factor waar niet van kan afgeweken worden.
      Het brutoloon dat als basis geldt, is het brutoloon van de maand januari van het jaar van indiening van de subsidieaanvraag.
      Volgende personeelskosten zijn uitgesloten voor de subsidieberekening: bijdragen voor extralegale voordelen zoals groepsverzekeringen, extralegaal pensioen, hospitalisatieverzekeringen, … en vergoedingen voor woon-werkverkeer, verplaatsingsonkosten en reis- en verblijfsvergoedingen, loonkosten voor “supervisie”.
    • externe expertise
      Kosten voor het inschakelen van externe expertise kunnen mee opgenomen worden. Externe prestaties betreffen niet de prestaties van de partners: partners hoeven niet aan elkaar door te factureren.
      Kosten voor extern personeel worden aanvaard aan een maximum van 125,00 euro per uur en enkel op basis van een factuur met volgende informatie: naam van de uitvoerder, omschrijving van de werkelijk geleverde prestaties, overzicht van de momenten waarop de prestaties geleverd werden en de duur van de prestaties op die momenten.

Overheadkosten (vaste kosten zoals elektriciteit, water, gas, telefonie, verzekering, …) worden niet aanvaard als subsidiabele kosten.

Voor aanvragen in beide fasen geldt: indien uit de de-minimisverklaring(en) blijkt dat het limietbedrag van 200.000,00 euro per 3 jaar na toekenning van het gevraagde subsidiebedrag zal worden overschreden, zal het toegekende subsidiebedrag verhoudingsgewijs aangepast worden.

Artikel 15: maximumsubsidiebedrag

Het maximumsubsidiebedrag is afhankelijk van de subsidiefase.

Fase 1 – kandidaatstelling

Het subsidiebedrag bedraagt de volledige kost voor de opmaak van een businessplan, met een maximum van 15 000,00 euro.

Fase 2 – projectaanvraag

Het subsidiebedrag bedraagt maximaal 110 000,00 euro per aanvraag en maximaal 70 % van de door de deputatie aanvaarde subsidiabele kosten.

VI Betaling van het subsidiebedrag

Artikel 16: wijze van betaling

Het toegekende subsidiebedrag wordt in twee schijven uitbetaald, voor beide subsidiefasen geldt:

  • een eerste schijf van 75 % wordt als terugvorderbaar voorschot betaald bij de toekenning
  • het saldo wordt betaald nadat de voorwaarden tot betaling van het saldo vermeld in de volgende artikels zijn vervuld.

Artikel 17: voorwaarden tot betaling van het saldo

Fase 1 – kandidaatstelling

Binnen een termijn van 6 maanden na de indiendatum moet de lead partner van een goedgekeurde kandidaatstelling een aanvraag tot betaling van het saldo samen met de volgende documenten indienen:

  • een inhoudelijk verslag met:
    • een beschrijving van de wijze waarop het businessplan tot stand kwam
    • het businessplan over het ingediende projectidee
  • een financieel verslag:
    • een gedetailleerde afrekening van uitgaven en eventuele ontvangsten, gestaafd met facturen en andere financiële verantwoordingsdocumenten.

Indien uit de ingestuurde afrekening blijkt dat de uiteindelijke kosten voor de opmaak van het businessplan lager liggen dan de toegekende subsidie, wordt de definitieve subsidie aangepast naar de uiteindelijke effectieve kostprijs van de opmaak van het businessplan.

Als de uiteindelijke kosten hoger liggen dan de toegekende subsidie, kan dit geen aanleiding geven tot een verhoging van de toegekende subsidie.

Fase 2 – projectaanvraag

Binnen een termijn van 18 maanden na de indiendatum moet de lead partner van een goedgekeurd investeringsdossier een aanvraag tot betaling van het saldo samen met volgende documenten indienen:

  • een inhoudelijk verslag bestaande uit:
    • een beschrijving van de uitgevoerde acties, gerelateerd aan het projectplan opgenomen in het aanvraagdossier
    • een beschrijving van de impact van het project
  • een financieel verslag:
    • een gedetailleerde afrekening van uitgaven en eventuele ontvangsten, gestaafd met facturen en andere financiële verantwoordingsdocumenten, gerelateerd aan het financiële luik van het projectplan uit het aanvraagdossier
    • een bewijs van provinciale logovermelding
    • indien van toepassing: alle vergunningen die betrekking hebben op het project
    • indien van toepassing: een kopie van het eindverslag van de Private Stichting Toegankelijk Vlaanderen eventueel aangevuld met een verantwoording van de aanvrager waarom niet kon worden voldaan aan de toegankelijkheidsvereisten.

Indien uit de ingestuurde afrekening blijkt dat de uiteindelijke kosten voor het project lager liggen dan de oorspronkelijke raming en de door de deputatie aanvaarde subsidiabele kosten, wordt de subsidie verhoudingsgewijs aangepast zodat de definitieve provinciale subsidie nooit hoger kan liggen dan het maximale vastgelegde percentage van 70 % van de subsidiabele kosten.

Als de uiteindelijke kosten hoger liggen dan de toegekende subsidie, kan dit geen aanleiding geven tot een verhoging van de toegekende subsidie.

VII Verplichtingen na de toekenning van een subsidie

Artikel 18: verplichtingen na de toekenning

Indien in het kader van dit reglement aan de aanvrager een subsidie wordt toegekend verbindt deze zich ertoe:

  • de toegekende subsidie aan te wenden voor het doel waarvoor zij werd toegekend
  • het project uit te voeren binnen de opgelegde timing. Uitzonderlijk kan de deputatie beslissen tot een verlenging van de realisatietermijn: voor zowel aanvragen in Fase 1 – kandidaatstelling als in Fase 2 – projectaanvraag is dit met een maximum van 6 maanden. Om deze verlenging te verkrijgen, moet de aanvrager ten laatste 2 maanden voor het beëindigen van de projecttermijn een gemotiveerde aanvraag indienen bij de cel Vrijetijdseconomie met opgave van de duur van de gewenste verlenging. Deze aanvraag wordt altijd aan de deputatie voorgelegd. De aanvrager wordt schriftelijk op de hoogte gebracht van de beslissing tot het al dan niet verlengen van de projecttermijn.
  • indien van toepassing: voor alle werken de vereiste vergunning te verkrijgen, voor zover het bewijs dat deze vergunningen verkregen werden nog niet op het moment van de subsidieaanvraag werd ingediend
  • in het geval van de uitvoering van een investeringsproject (fase 2): bij alle promotionele activiteiten met betrekking tot het gesubsidieerde project het logo van de provincie Limburg te gebruiken. Ook op de gesubsidieerde infrastructuur of uitrusting moet dit logo duidelijk zichtbaar en op duurzame wijze worden aangebracht. In digitale en analoge publicaties moet tevens de vermelding “met financiële steun van de provincie Limburg” worden opgenomen
  • de deputatie steeds op de hoogte te brengen van eventuele projectwijzigingen
  • indien het toegekende subsidiebedrag hoger is dan 24 789,35 euro: gedurende de volledige projectlooptijd jaarlijks de balans en resultatenrekening van het afgelopen goedgekeurde rekeningjaar in te dienen of te publiceren via de website van de Balanscentrale van de Nationale Bank van België.

VIII Controles en sancties

Artikel 19: controle op de aanwending van de toegekende subsidie

De provincie heeft steeds het recht toezicht en controle uit te oefenen bij de begunstigde van de subsidie die hem in het kader van dit reglement werd toegekend. De begunstigde verbindt er zich toe de nodige inlichtingen te verstrekken en de controle van de provincie Limburg te aanvaarden.

Artikel 20: sancties

Indien de begunstigde één of meer verplichtingen voortvloeiend uit dit reglement niet nakomt, kan de provincie het reeds betaalde subsidiebedrag geheel of gedeeltelijk terugvorderen, of in voorkomend geval beslissen tot het niet-betalen of het gedeeltelijk niet-betalen van de toegekende subsidie. Verder kan voor een periode vastgesteld door de deputatie de begunstigde en de betrokken projectpartners uitgesloten worden om in de toekomst in aanmerking te komen voor subsidies van de provincie Limburg.

IX Slotbepalingen

Artikel 21: inwerkingtreding en geldigheidsduur

Dit reglement treedt in werking vanaf 22 oktober 2020.

Artikel 22: interpretatiegeschillen en onvoorziene omstandigheden

Alle interpretatiegeschillen en onvoorziene omstandigheden betreffende de toepassing van dit reglement worden behandeld door de deputatie.

Hasselt d.d. 21 oktober 2020

De provinciegriffier
Wim Schoepen

De voorzitter
Huub Broers