De provincie Limburg gebruikt cookies om jouw surfervaring op deze website gemakkelijker te maken.

Strikt noodzakelijke cookies
Deze cookies zijn strikt noodzakelijk om in de site te navigeren, of om te voorzien in door jou aangevraagde faciliteiten.
Functionaliteitscookies
Deze cookies verbeteren van de functionaliteit van de website door het opslaan van jouw voorkeuren.
Prestatiecookies
Deze cookies helpen om de prestaties van de website te verbeteren, waardoor een betere gebruikerservaring ontstaat.
Online surfgedrag gebaseerde reclame cookies
Deze cookies worden gebruikt om op de gebruiker op maat gemaakte reclame en andere informatie te tonen.
  • Start
  • Natuuronderzoek
  • Webinar - Sleedoorn- en Iepenpage in Limburg: tweemaal een verschillende verhaal

Video's

Webinar - Sleedoorn- en Iepenpage in Limburg: tweemaal een verschillende verhaal

Laatst aangepast vrijdag, 19 maart 2021, 12.19 u.

Ilf Jacobs werkt bij Natuurpunt Studie en volgt al jaren de Sleedoorn- en Iepenpage in detail op. In 2019-2020 werden deze mysterieuze dagvlinders onder de loep genomen. Op basis van onder andere historische waarnemingen en verspreidingsgegevens van waardplanten werd in samenwerking met vrijwilligers intensief gezocht naar beide soorten. De onderzoeksresultaten zijn verrassend en lopen voor de twee soorten sterk uiteen.

Deze functionaliteit is uitgeschakeld door je cookie policy instellingen.
Je kunt deze instellingen aanpassen op de cookie policy pagina.

Sleedoorn- en Iepenpage in Limburg: twee maal een verschillend verhaal – Ilf Jacobs, Natuurpunt

Jan Mampaey
Welkom terug na deze korte pauze. We gaan meteen verder met een voorstelling over vlinders.  Daarvoor hebben we Ilf Jacobs onder ons en dat is een actieve duizendpoot op vlak van natuuronderzoek. Hij werkt als onderzoeker bij Natuurpunt Studie  en hij heeft de soorten, de sleedoorn- en iepenpage waar het nu over gaat, in detail opgevolgd al een aantal jaren hier in Limburg.  En in 2019 en 2020 heeft hij hier specifiek onderzoek naar verricht en dat is ook het verhaal dat hij nu voor ons gaat brengen. 
Ilf, aan jou het woord.

Ilf Jacobs
Goeienavond iedereen, welkom op de presentatie van sleedoorn- en iepenpage in Limburg.  Het is een project dat zich wil concentreren op sensibilisatie, verspreidingsonderzoek en soortspecifiek beheeradvies rond deze twee attractieve soorten.  Het project werd mogelijk gemaakt door de financiële ondersteuning van de provincie Limburg en werd uitgevoerd door Natuurpunt Studie in nauwe samenwerking met tal van vrijwilligers.
Ik ga even snel door de verschillende onderdelen  van de presentatie.
Allereerst geven we een beschrijving van de soorten, de status en de trend, gaan we in op de ecologie en dan gaan we in op het luik van de sensibilisatie die twee hoofddoelstellingen had, dat is namelijk mensen enthousiasmeren om te participeren aan het verspreidingsonderzoek. En als tweede belangrijke doelstelling is het creëren van een groter draagvlak voor deze soorten.  En dan eigenlijk het hoofd, het zwaartepunt van dit project is het verspreidingsonderzoek op zich.  Daarvoor hebben we in de eerste plaats alle historische gegevens gebundeld, alle historische verspreidingsgegevens.  We hebben dat gedaan voor heel Vlaanderen.  En daarnaast hebben we specifiek onderzoek verricht naar de actuele verspreiding van de beide soorten in de provincie Limburg zelf.  En dan hebben we ook obv alle kennis, dus hebben we eigenlijk de ecologische kennis, de verspreiding, de kansen, de knelpunten, komen we ook tot soort specifiek advies.

Goed, dan starten we met de sleedoornpage. Zoals jullie kunnen zien op de foto: een kleine maar fraaie dagvlinder die op de rode lijst van 1991, van voor 1991 en ook de periode ’91 tot ’99 te boek stond als bedreigd.  Maar op de recente rode lijst die gepubliceerd is in 2011 is die gezakt naar momenteel niet bedreigd.  Dus het is een goed teken als een soort minder hoge bedreigde status heeft.  Dat is dus allemaal te wijten aan de trend die de soort  vertoont.  Er is echt een zeer sterke toename van het aantal waarnemingen van deze soort, zeker de afgelopen 15 jaar.  En die positieve trend, door het aantal waarnemingen is het resultaat van één, een gerichte zoekinspanning of een betere onderzoeksmethode om naar deze soort op zoek te gaan maar ook een effectieve toename van deze soort.  Maar zowel in de provincie Limburg, maar ook in Nederlands Limburg zien we, of zagen we het afgelopen jaar, dat die tendens die we in Vlaanderen zagen en ook in een aantal andere regio’s dat die zich niet in Limburg voltrok.  Dus dit was één van de aanleidingen om dit project aan te vragen om eigenlijk toch de vinger aan de pols te houden voor de Limburgse populatie.

Gaan we even kijken naar het leefgebied van de sleedoornpage.  Als we kijken naar het geprefereerd leefgebied dan is het typische eigenlijk het bocagelandschap,  zoals je hier op deze foto kan zien.  Een bocagelandschap kan je eigenlijk beschouwen als een soort van lappendeken van bos, struweel, kleinschalig landbouwlandschap.  Een landschap dat historisch zeer veel voorkwam in West-Europa maar dat grotendeels weggevaagd is.  Maar, u ziet dat ik het in het…, dat lijkt er misschien in schril contrast mee te staan, dat is dat de soort zich ook in heel wat regio’s goed weet te gedijen in verstedelijkt gebied.  Eén van de betere voorbeelden daarvan is de populaties in Nederland.  Daar zitten de grootste populaties zijn aanwezig in het verstedelijkt gebied langs de Veluwerand, Arnhem, Wageningen, Apeldoorn.  Daar zitten de grootste populaties van Nederland.

Binnen deze landschappen is die soort voornamelijk aanwezig in bosranden, mantelzoomvegetaties, mantelzoomvegetaties zijn de geleidelijke overgangen van bos naar de lagere vegetatie dus bijvoorbeeld naar graslanden.  Houtkanten, maar ook dus die plantsoenen, en dan verwijs ik vooral naar dat stedelijk milieu, bijvoorbeeld inheemse struiken aanplant.  En binnen deze specifieke biotoop hebben ze nog specifiek sleedoorn nodig en meer bepaald jonge twijgen of jonge opslag.  Want het is juist op die jonge opslag, die typische jonge scheutjes die je dikwijls ziet bij sleedoorn, dat sleedoorn zich vegetatief voortplant.  Het is op die jonge opslag  dat die soort zijn eitjes afzet.  Dus hier zien we dat voorbeeld met een geleidelijke opslag van sleedoorn.
Als waardplanten, we hebben het al gezegd, sleedoorn steekt met kop en schouders boven alle andere waardplanten uit, maar ook andere prunussoorten worden gebruikt, zoals bijvoorbeeld gecultiveerde pruimen, zoals bijvoorbeeld mirabelletjes.  Een aantal jaren geleden hebben we in een verlaten boomgaard waar veel spontane opslag was van pruimen enorm grote aantallen van eitjes van sleedoornpage aangetroffen.  Op vlak van beste inventarisatiemethode is de sleedoornpage een buitenbeentje.  Het is een zeer mysterieuze vlinder met een zeer verborgen levenswijze.  Die vlinder houdt zich voornamelijk op in de boomkruinen, hoog in de boomkruinen daar waar ze bijvoorbeeld, en dat woord zullen we straks ook nog tegenkomen,  verzamelen rond bruidsbomen.  Bruidsbomen zijn meestal van die markante bomen die in de bossen gaan staan waar dat de zon op schijnt.  Je kan dat een beetje beschouwen als een café in een dorp, de plek in een dorp waar mensen samenkomen om een pint te pakken, dat zijn die bruidsbomen, die bomen waar de pages samenkomen om elkaar te leren kennen.  Wat ze ook daar vanboven in die boomkruinen doen, we weten daar niet alles van, maar sowieso  drinken ze daar ook veel honingdauw, dat is die zoete afscheiding van bladluizen, wat dat je soms op je wagen aantreft als je onder een lindeboom hebt gestaan, dat plakkerige stof, dat is heel zoet.  Dat is ook die kleverige stof waarop mieren foerageren.
Dus ze foerageren voornamelijk op honingdauw en zijn daarom bijna niet waar te nemen als ze aan het nectar drinken zijn.  Wanneer komen ze wel naar beneden?  Wel, zoals zojuist gezegd, om specifiek die eitjes te gaan afzetten laag bij de grond op de jonge opslag van sleedoorn.
Die vlinder, als imago, als adulte vlinder, krijg je bijna nooit te zien.  De beste manier om deze vlinder te gaan inventariseren of om te weten te komen waar dat hij zit is om gericht op zoek te gaan in de winter naar de eitjes.  En hier zie je op die foto’s van die eitjes, dat zijn precies zo van die minuscule kleine golfballetjes, spierwit, en die zijn, mits een beetje ervaring in het juiste zoekbeeld, relatief gemakkelijk  waar te nemen op die donkere takken van die sleedoorn.  Je moet natuurlijk in actie schieten vooraleer die sleedoorn helemaal wit in bloei komt want dan is het echt  wel zoeken als een speld in de hooiberg.
Dan gaan we over naar de volgende soort: de iepenpage.
Tevens ook een attractieve soort met die typische staartjes, dat nog wel wat van die kleine pages hebben.
De soort heeft, is altijd, of tot voor kort was die altijd zeldzaam.  Zoals je ziet ook, voor  ’91 stond die soort geboekt als zeldzaam.  De periode van ’91 tot ’99 stond die in de categorie zeer zeldzaam tot onvoldoende gekend omdat er in die periode zelfs zodanig weinig waarnemingen binnenkwamen van de soort dat we niet wisten hoe we dat moesten interpreteren.  Op een bepaald moment is zelfs gedacht dat de soort uitgestorven was in Vlaanderen.  Maar op de recente rode lijst, die gepubliceerd is in 2011, staat de soort als kwetsbaar.  Een goed teken, zo is ook deze soort sterk gedaald op vlak van bedreigde soort.  Dat is ook bij deze soort te wijten aan een sterk toegenomen aantal waarnemingen.  Ook bij deze is het door gerichte zoekinspanningen en een effectieve uitbreiding van de soort.  En ook hier zien we dat Limburg achterbleef.  We wisten dat er een mogelijkheid was dat de soort in Limburg onder de radar bleef.  Dus daarom hebben we ook deze soort meegenomen in dit project.
Als we dan kijken naar het leefgebied van de iepenpage, relatief gelijkaardig als de sleedoornpage,   het bocagelandschap, tevens verstedelijkt gebied, de soort komt ook in verstedelijkt gebied voor.  Dit is een mooi vrij beeld van een bocagelandschap.  Daar gaan we allemaal liever wandelen dan in een verstedelijkt gebied, maar om op zoek te gaan naar iepenpage, kan je perfect je ding doen in verstedelijkt gebied.  Wat uiteraard essentieel is dat de waardplant, namelijk iepen, aanwezig zijn.  En die iepen, dat kunnen tal van verschillende soorten zijn, zolang dat ze maar aanwezig zijn langs de rand, in de bosranden, in de houtkanten.  Ook laanbomen kunnen geschikt zijn maar zelfs ook grote individuele iepen kunnen volstaan, zoals hier op deze foto, dat is één grote robuuste iep in de rand van Brussel en in deze iep zit een hele populatie iepenpages.
De waardplant iepen, er zijn verschillende soorten iepen, allemaal; er zijn er een paar die echt moeilijk te determineren zijn, en dus zowel de fladderiep, maar ook ruwe iep, gladde iep, al die cultivars, al die hybrides, … Er zijn ook inderdaad, bijvoorbeeld nu in Limburg, in het kader van dit onderzoek hebben we ook iepen aangetroffen op gouden iep, dat zijn van die iepen die je dan ziet met van die knalgele bladeren en ook van die iepencultivars met van die bladeren om u tegen te zeggen, gewoon aangeplant in een voortuintje zat een mooie iepenpopulatie op.  Dus de iepenpage, zolang het iep is, is die blijkbaar content.  Wat ze wel prefereren zijn iets oudere bomen.  Dat komt omdat die rupsen, die hebben tijdens hun levensfase, en iepen staan dit moment bijna in bloei, die rupskes komen zeer vroeg uit en foerageren eerst op de bloemen, die eten eerst een gangetje in de bloemen, foerageren eerst op de bloemen, dan gaan die over naar het zaad.  Een belangrijk deel van het voedsel in die eerste stadia zijn de bloemen en de zaden, dus ze prefereren oude bomen die zaadzittend zijn.
Op vlak van inventarisatie is dit een minder atypische soort als de sleedoornpage.  Het afspeuren van zonbeschenen bruidsbomen is eigenlijk de meest efficiënte manier, en dat wilt zeggen dat je eigenlijk doorheen een landschap gaat, je probeert een geschikte zone te vinden, een mooie zonbeschenen iepenkruin of een andere grote zonbeschenen boom in de directe omgeving van iepen fungeert dan dikwijls als een bruidsboom.  En hier zie je bijvoorbeeld een foto die een vrijwilliger heeft gemaakt.  Dat zijn bijvoorbeeld twee territoriale iepenpages die dan van die zeer snelle, zenuwachtige territoriale vluchten  uitvoeren boven die kruinen.
Je kan ook in de winter op zoek gaan naar de eitjes op iepentakken maar dat is een heel pak complexer, allez, dat is nog uitdagender dan op zoek gaan naar eitjes van de sleedoornpage. 
Dan gaan we voort naar het sensibilisatieluik.  Zoals ik daarstraks al had gezegd bestaat dat uit twee hoofddoelen: participatie en verspreidingsonderzoek in het creëren van een groter draagvlak om de mensen te enthousiasmeren.  Om te participeren aan een verspreidingsonderzoek hebben we een query gedraaid en hebben gekeken wat dat de top 500 waarnemers zijn die het meeste dagvlinderwaarnemingen hebben ingevoerd op waarnemingen.be in Limburg.  En deze mensen, die zijn allemaal aangeschreven en hebben die projectmail in de bus gekregen en als er een aantal van deze mensen, als die positief reageerden, hebben die op een onlinemanier die verspreidingsgegevens gekregen, kaartmateriaal enzoverder en de doelstelling was om op een zeer laagdrempelige manier mensen die interesse hadden 5 op 5 km hokken te laten adopteren waar zij dan gericht op zoek konden gaan naar die soort.
Straks gaan we daar dieper op in als we naar het verspreidingsonderzoek overgaan.  Het draagvlak, uiteraard hoe meer draagvlak hoe meer vrijwilligers er gericht willen kijken naar die soort, hoe meer verspreidingsgegevens, ecologische kennis we opdoen, maar ook hoe meer draagvlak er is hoe meer aandacht voor deze soorten bij beheermaatregelen, bij inrichting en dergelijke, en  eigenlijk is  deze presentatie ook een vorm van sensibilisatie om meer draagvlak te creëren voor deze attractieve soorten.
Hier zien we een voorbeeld van hoe we het een beetje hebben aangepakt.  We hebben een raster over Limburg gelegd met UTM 5, met 5 op 5 km hokken, dat is een beetje een rationele manier om Limburg op een efficiënte manier te verdelen en op die manier komen we dan obv selectie, konden we dan die hokken laten adopteren.
Hier zien we dat.  We hebben hiervoor gewerkt met een soort van onlinetool waarbij de mensen konden zien waar de soort in het verleden gezien werd, waar waardplanten aanwezig was, mensen konden dan zelf een hok aanklikken en zeggen dat doe ik graag, dat doe ik met die persoon samen, dat was dus eigenlijk een interactief gegeven.
Hier zien we bijvoorbeeld zo’n voorbeeld van een kaart, dat is bijvoorbeeld voor de sleedoornpage voor de inventarisatiewinter 2019-2020.  Dan zie je bijvoorbeeld alle waarnemingen, dat zijn de groene bolletjes, dat zijn de locaties waar de soort ooit is waargenomen, rode bolletjes, daar is gezocht maar niet gevonden.  Zo zie je dat er dan obv een selectie van de meest kansrijke zones, dat er mensen, vrijwilligers of het projectteam die hokken is gaan adopteren en daar via een bepaald monitoringsprotocol is aan de slag gegaan om te gaan  inventariseren.
Een beetje hetzelfde verhaal voor het zuidoosten van Limburg.  Ook een aantal mensen, soms van buiten Limburg, maar toch een heel grote affiniteit met die soort hadden, zijn hokken komen adopteren en inventariseren in Limburg.
Dan gaan we over naar het belangrijkste luik van het onderzoek: het is het verspreidingsonderzoek.
Allereerst, als je van die kaarten wil opmaken en als je mensen op een gerichte manier naar de juiste plek wil sturen, is het belangrijk om historisch verspreidingsgegevens te bundelen.  Op die manier kun je dan op een efficiënte manier aan de slag gaan.  We hebben die oefening gemaakt voor gans Vlaanderen omdat je dan ook een aantal tendenzen ziet en je kan soms van andere provincies leren voor het onderzoeksgebied waarmee je dan later aan de slag wil gaan.  En op basis daarvan hebben we dan inderdaad een aantal kansrijke zones of 5 op 5 km hokken geselecteerd.  En binnen die zones hebben we dan gerichte zoekacties gedaan om zo een zo actueel mogelijk beeld te krijgen op de verspreiding van beide soorten.
Nu gaan we even over naar een luik waar wij eigenlijk een presentatie geven van de historische gegevens van sleedoornpage en iepenpage op Vlaamse schaal.  Als we hier kijken, is voor heel Vlaanderen, zien we sleedoornpage voor de periode 1900 tot 1997: je ziet duidelijk een bolwerk: Vlaams-Brabant, voor Limburg zien we populatie in het uiterste zuidoosten, centraal in de Maasvallei en dan dit hokje, in principe mag je dit weggommen, dat zal waarschijnlijk een fout zijn in de historie, in de databank, want dat is zeer onwaarschijnlijk dat die soort hier ooit heeft voorgekomen en verder in het zuiden van Oost- en West-Vlaanderen.
Als we dan naar de volgende periode gaan, 1997 tot 2007, dat is een periode dat er al inzicht werd verworven naar die iepen- en sleedoornpage. Ah, die kunnen we veel efficiënter gaan inventariseren als we naar de eitjes gaan kijken.  Toen zijn er een aantal pioniers, vooral in het verhaal in Vlaams-Brabant ermee aan de slag gegaan, dat was aanstekelijk, weer een aantal mensen die dat gericht aan de slag gingen, dus je ziet dat eigenlijk een aantal, heel wat hokken zijn bijgekomen.  Wat bijvoorbeeld interessant is om te zien dat hier dan ook voor de eerste keer in de Westhoek de soort opduikt.  In Limburg zie je een vrij gelijkaardig verhaal.  Ja, die van de Maasvallei is weg maar hier, het zuidoosten, Riemst, blijft aanwezig en ook het oosten van de Voerstreek.  Voor de rest is het een volledig lege kaart.
En dan het grote scharnierpunt is de periode eigenlijk 2007-2017: toen werden er een aantal gerichte inventarisatieprojecten opgestart, ook van die provinciale projecten in de provincie Vlaams-Brabant.  En dan hebben we dat helemaal uitgewerkt, heel veel energie ingestoken om de vrijwilligers te enthousiasmeren en het was een ongelooflijk succes.  Je ziet, we hebben veel, bijzonder veel nieuwe verspreidingsgegevens verzameld.  Ook daar heeft het dus eigenlijk als een olievlek uitgevloeid tot in het zuiden van Oost-Vlaanderen en dergelijke.  Je ziet het ook hier, ik verwijs nogmaals naar dat typische voorbeeld van dat die populatie uitgebreid is, dus die is nog groter geworden.  In Limburg zien we eigenlijk geen verschil.  Je ziet enkel en alleen maar die  regio van Kanne en Riemst.
Als we dan, dan zijn we dus aangekomen aan de periode van dit project, 2018-2020.  We zijn echt obv al deze historische gegevens de meest kansrijke zones gaan afgaan en daar hebben we 250 waarnemingen verricht, inclusief nulwaarnemingen.  Dat noteren we ook altijd als we specifiek gaan zoeken maar de soort niet vinden.  Dat is ook een bijzonder waardevolle waarneming omdat je dan soms, als je dat vaak genoeg doet, kunt ge ook de rand van het verspreidingsgebied bepalen.  Dus 250 waarnemingen, dat is dus daar gelijk aan 86% van de Limburgse waarnemingen in waarnemingen.be.
In totaal werden er 81 sleedoornpages, voornamelijk eitjes zijn dat dan, gemeld.  Dat is in totaal 65% van het totale aantal ingevoerde sleedoornpages in Limburg.  We zien dat ook als we dat in een grafiek zetten: we zien een zeer duidelijke stijging van het aantal waarnemingen die verricht zijn. Spijtig genoeg zitten hierin natuurlijk ook een heel aantal van die nulwaarnemingen in.  Het aantal sleedoornpages op zich of echte waarnemingen van waar we de soort hebben aangetroffen blijft bijzonder laag.  Als we dan gaan kijken wat de projectgegevens opleveren dan zien we dat we in Limburg, we hebben heel gericht gezocht, daarstraks gaan we daar nog wat verder en dieper op in, in het grensgebied met Vlaams-Brabant…  Eigenlijk hebben we de soort niet aangetroffen in de zone, in het grensgebied met Vlaams-Brabant.  Als je kijkt deze grote gele blok, dit zijn heel grote metapopulatie van Vlaams-Brabant, die reikt helemaal tot in het noordoosten, de regio van Diest tot  aan de provinciegrens, maar verder daar in Halen, Lummen.  Juist op de grens hebben we nog sleedoornpage gevonden en verder niet.  En dan zitten we hier eigenlijk met de enige echte Limburgse populaties; deze zijn op dit moment nog altijd gesitueerd in de buurt van Riemst, Kanne en dan een paar perifere gebieden.  Dat is toch wel eigenlijk op dit moment de grootste populatie van Limburg.  En dan in het uiterste westen van de Voerstreek is ook een aparte en afzonderlijke populatie aanwezig.  Uiteraard zijn een aantal, zowel voor die populatie in Voeren, is een grensoverschrijdende populatie met Nederland.  Ook hier in de buurt van Maastricht zit de soort, maar verder in Nederlands Limburg aangrenzend aan de Maasvallei bijvoorbeeld, is de soort recent niet meer waargenomen.
Hier zien we bijvoorbeeld, dit is nog een kaart die weergeeft waar we specifiek gezocht hebben: de rode bolletjes, de rode hokken, is daar waar we gezocht hebben maar waar we ze niet hebben gevonden.  De groene is waar we ze wel hebben aangetroffen.  Je ziet zeer grote zoekinspanningen helemaal in de zuidelijke leemstreek, Haspengouw, van Limburg.  Zeer veel van die rode bolletjes.  Overal waar we zijn gaan zoeken maar hebben de soort niet aangetroffen.  Eigenlijk helemaal in deze grensregio’s hebben we echt specifiek op zoek gegaan naar waar ergens de grens van het verspreidingsgebied maar eigenlijk zit ze hier niet in de provincie Limburg.
Dus een beetje een ingezoomd detail op een grensgebied, de regio van Diest, Lummen, Halen. Potentievol maar voorlopig is ze daar niet aanwezig.  Zeer opvallend, ik denk dat die één, die foto van het bocagelandschap is genomen in de Voerstreek, prachtig landschap, je ziet al die rode bollen, overal gezocht, de soort is alleen maar aanwezig in het uiterste oosten van de Voerstreek, daarnaast niet.
Er staan nochtans sleedoorn genoeg, dit is een kaart waar dat alle sleedoorn opstaat.  Hier in die zuidelijke helft, bijzonder veel sleedoorn, soms zelfs echt in gave landschappen, in valleitjes en zo, waar je zo wel echt van zou denken dat is tophabitat, ze zitten er niet.
Zo, dan nog eens efkes uitzomen naar Vlaanderen, zien we, dat is ook obv de gegevens.  De donkerrode zijn de oude gegevens tot 2006, keren hier langs de regio tussen Aarschot, Leuven, de Dijlevallei een beetje dan, daarna 2007-2017, enorme toename in deze toen.  Hier verscheen dan eigenlijk de eerste waarnemingen in waarnemingen.be in Riemst, Kanne.  En de laatste jaren 2018-2020 zie je nu nog recent hebben we nog wat waarnemingen verricht in het oosten van Voeren maar verder is er niet veel veranderd.  Je ziet wel een gestage uitbreiding van de soort in de provincie Antwerpen.  Je ziet dat ze stap voor stap, vroeger zaten ze echt tot aan de provinciegrens, ze zijn stelselmatig aan het oprukken naar het noorden en ook de noordgrens van het verspreidingsgebied in Oost-Vlaanderen is aan het opschuiven  en ik heb al een paar keer verwezen naar dat voorbeeld van de Westkust: je ziet, is heel klein begonnen maar je ziet dat die populatie eigenlijk aan het uitbreiden is en dat is wel een verhaal dat eigenlijk een beetje opgaat voor veel plekken in Vlaanderen maar niet voor Limburg.
Hier zie je nog eens een algemeen beeld waar dat de soort is waargenomen.  De groene bolletjes waar de soort is gezocht.  Niet gevonden rode bolletjes. En daaronder zit een heatmap of densiteitskaart van sleedoorn.  Je ziet dat er heel wat overlap is, zones waar veel sleedoorn aanwezig is.  In de zuidelijke helft van Vlaanderen is de soort nog vaak aanwezig maar er zijn ook een aantal echt zones waar de soort  het blijkbaar echt niet aanwezig is, het oosten van Vlaams-Brabant, het zuiden van Limburg en hier zie je hoewel er toch veel sleedoorn hier in deze regio staat in Oost-Vlaanderen, blijkt de soort nog niet die sleedoornpopulaties gekoloniseerd te hebben.  Wat wel interessant is om te zien, hier zie je bijvoorbeeld de soort heeft lang tot aan de grens met grensgebied Vlaams-Brabant Antwerpen gezeten.  Dan begint hier bij wijze van spreken de Kempen eigenlijk ook, de zanderige gronden.  Zo heeft die rand altijd geblokkeerd geweest.  Nu begint ze op te schuiven en heeft eigenlijk dit bolwerk bereikt en is nu interessant om te zien of ze de volgende jaren, de volgende decennia, of dat ze hier echt een metapopulatie zal opbouwen.  Voor Limburg, ja, je ziet er grote potentievolle vlekken maar hier ook de Maasvallei  volledig aansluitend tot aan Riemst, hard gezocht, niet gevonden.
Dan de andere soort, iepenpage.  Totaal ander verhaal.
Historische waarnemingen van 1900 tot 1997: bolwerk Vlaams-Brabant en dan wat verspreid in Antwerpen en een beetje in Oost-Vlaanderen.  Belangrijk om te zien: hier één populatie in het westen van de Voerstreek.
De volgende periode, toen heeft de iepenpage, zoals ik al eerder heb gezegd, het heel moeilijk gehad.  Dat was eigenlijk tijdens die crash, toen alle iepen zijn gestorven, toen waren zelfs de populaties gereduceerd tot minder dan een handvol populaties op een bepaald moment waren er jaren dat er geen vlinders meer werden waargenomen.  Dus men veronderstelde zelfs dat ze uitgestorven was.  En dan hebben we een beetje gelijkaardig aan dat verhaal van de sleedoornpage gerichte acties uitgevoerd in Vlaams-Brabant.  We hebben bijzonder, dat was echt heel verrassend dat we daar zoveel iepenpages hebben gevonden en werden op tal van andere plaatsen werd onze onderzoeksmethodologie eigenlijk door gericht kijken naar die bruidsbomen, werkten aanstekelijk, zijn mensen dat beginnen doen. Maar de soort dook soms ook gewoon  op in tuinen en dergelijke.  Je zag eigenlijk dat er veel waarnemingen binnenkwamen, maar je ziet hier, Limburg is één grote lege zone.  We wisten dat daar de soort eigenlijk onder de radar bleef, dat dat daar eigenlijk ondergeïnventariseerd was en daarom hebben we ook bewust ingezet op deze soort.
En als je dan kijkt naar binnen de projectperiode 2018-2020 hebben we 214 waarnemingen verricht inclusief nulwaarnemingen, nogmaals, dat staat gelijk aan 97% van de Limburgse waarnemingen in waarnemingen.be.  In totaal werden er 182 iepenpages geteld.  In dit geval zijn dit vooral de vlinder zelf, niet de eitjes, en dat staat gelijk aan 95% van het totaal aantal ingevoerde iepenpages in Limburg.
De grafiek, gelijkaardig aan sleedoornpages, heel grote zoekactie, het aantal waarnemingen is eigenlijk de zoekintensiteit die je ziet, maar hier zie je ook dat het aantal iepenpages zeer sterk gestegen is.  Ik zal nu al maar antwoorden, dan hoeft dat straks niet op een vraag terug te komen, waarom zie je dat hier terug naar beneden komen?  Dat is met zo’n project heb je een groot aantal dagen… we zijn zeer enthousiast begonnen in 2019… een belangrijk deel van onze dagen opgesoupeerd en wisten dat we heel veel gegevens hadden. Hier hebben we moeten afremmen om niet teveel over het budget te gaan.  Maar dat wil niet zeggen dat de populatie gecrasht is ofzo.  Dus dat is belangrijk om dat zo te duiden.
Totaal ander beeld dan sleedoornpage. Herinner u het beeld van voor het project.  Enkel en alleen maar hier in de regio van Riemst nog recente waarnemingen.  Dit is het beeld dat we nu hebben voor Limburg.  In principe hebben we de soort aangetroffen.  We hebben de regio rond Riemst opvallend uitgebreid, heel de noordrand van de Voerstreek, centraal in de Maasvallei, zeer grote robuuste metapopulatie in het grensgebied van daar Halen, Lummen, die regio verder naar het noorden tot de meest zanderige regio, de echte, tegen de rand van het Kamp van Beverlo, in de zanderige Kempen ook bijzonder grote populatie op een korte oppervlakte tot helemaal bovenaan in Overpelt, Neerpelt.  En dan is er nog een aantal steekproeven gebeurd waarmee we de soort hebben aangetroffen in Peer en Bree en dergelijke.
Als we dan gaan kijken naar waar dat we gezocht hebben en waar we succes hadden, dan zien we duidelijk dat dit een totaal andere kleur geeft.  Je ziet hier dat het succes veel groter is, de kaart kleurt veel groener, dus waar we gezocht hebben hadden we een veel grotere kans om de soort aan te treffen.  Waar op dit moment nog lege gaten zijn is hier de regio, het uiterste noordoosten van Limburg, we hebben daar goed gezocht maar ik denk dat hij er voorlopig nog niet zit.  Dat is hier Kinrooi en dergelijke.  Hier de rand van die grote fruitteeltregio van tussen Tongeren en Sint-Truiden hebben we bekeken en daar lijkt ze voorlopig nog niet te zitten maar dat was tot voor kort ook het geval voor het uiterste oosten van de provincie Vlaams-Brabant waar eigenlijk die grote band van die grootschalige akkerteelt en die  fruitteelt, dat loopt eigenlijk naadloos door, daar zat de soort tot voor kort ook niet maar daar zie je dat er nu recent de laatste jaren toch een aantal waarnemingen beginnen te komen.  Dus we zijn er eigenlijk van overtuigd, je ziet het op die kaart, uiteraard is dit maar een fractie van wat de realiteit is.  Eigenlijk is de realiteit dat er een paar zones zijn waar de soort waarschijnlijk nog niet gaat zitten.  Dat is hier en hier maar voor de rest kan je in principe heel die kaart groen kleuren.
Iep staat ook nog veel meer in het landschap dan veel mensen denken.  Er zijn natuurlijk bolwerken maar er bestaan er nog veel meer, ja, soms zijn er een aantal aparte dingen die je denkt van ja waarom zit de soort hier nu niet?  In de Maasvallei staan veel iepen.
Een totaal ander verhaal met de sleedoornpage uitgezoomd op Vlaanderen.  Zeer, zeer kleine relictpopulatie waar we mee gestart zijn, waarvan we wisten dat ze er nog zaten en dan in principe bij wijze van spreken als een splinterbom zie je dat die helemaal zich aan het uitbreiden is over heel Vlaanderen.  Je ziet hier uiteraard het heel grote effect dat we hebben gemaakt in die periode van die heel intensieve inventarisaties tot 2017.  Maar je ziet hier, Limburg bleef duidelijk achter.  Je ziet nu in de laatste periode hebben we eigenlijk een heel grote inhaal beweging gemaakt in Limburg.  Daarom dat er zoveel geel te zien is op deze kaart.
Terug een kaart, met positieve waarnemingen in het groen, negatieve waarnemingen waar dus gezocht is maar niet gevonden in de iepen, de kaart van de iepen eronder.  Eigenlijk zie je in Limburg wel relatief goed van veel iepen dat de iepenpage aanwezig is.  De densiteit van de waarnemingen in Limburg is iets lager dan in de rest van Vlaanderen, daarom, ja, dat middelt zich wat uit, daarom is het lichtgekleurd.  Ja, hier is zeker nog te ontginnen terrein, dat zie je.  Wat opvallend is, je ziet hier ook een heel groot  bolwerk, dat is een beetje dezelfde regio waar die veel sleedoornpage staat in Antwerpen.  Daar is de soort nu ook echt doorgebroken, zogezegd.  Heel opvallend, hier is relatief  hard gezocht, het was niet eens een projectwaarneming, staan veel iepen maar de soort zit er voorlopig niet.
Goed. Dan zitten we nu voorlopig in het laatste onderdeel van kennis naar advies.
We gaan nog eens efkes kijken naar het beeld van een ideaal leefgebied.  Ik kan geen foto laten zien van verstedelijkt gebied want dat zien we elke dag.  Sleedoornpage: mantelzoomvegetatie, spontane overgangen van bos naar struweel, sleedoorn als locatie voor de eitjes op af te zetten.
Iepenpage: zeer grote robuuste iepen, liefst robuuste iepen in zonbeschenen bosranden en prefereert ook wel aan nectar in de directe omgeving  want foerageert naast op die honingdauw toch ook wel op nectar.
Als we dan naar de bedreigingen kijken, ja, dan zijn er een aantal bedreigingen uiteraard die telkens weer terugkomen.  Ja, dat is de kwantitatieve en kwalitatieve afname van het leefgebied.  Belangrijke speler is daar natuurlijk de intensivering van de landbouw.  Ja, je ziet hier een foto waarin je eigenlijk nog kan zien hoe dat er hier op die talud, waar historisch houtkanten stonden; een volledig uitgekleed landschap.  Dat zie je wel in die zeer grote open terreinen zoals daar in Haspengouw.  Dat zijn gebieden waar die soort heel moeilijk vaste voet aan de grond krijgt.
Ja, de algemene biodiversiteit en erosie en uiteraard de iepenziekte heeft in het verleden heel wat klappen toegebracht aan de iep, iepenpage, maar die zijn blijkbaar, want je ziet toch dat de iepen zich ook een beetje aan het herpakken zijn en daarmee ook de iepenpage.
Goed.  Kansen en beheeradvies.
Er is veel kennis aanwezig als we nog even de tijd terugdraaien: 15 jaar aanwezig, we wisten enorm weinig van die soorten maar nu kennen we heel veel van de ecologie van die soorten en hebben we eigenlijk relatief robuuste verspreidingsgegevens.  Ja, handen uit de mouwen.  Maatregelen nemen maakt een verschil.  Er zijn op verschillende terreinen al aangetoond dat gericht aan de slag gaan voor deze soort of andere typische dagvlinders toch wel echt een verschil kan maken.
Ja, en wat er dan standaard bij de meeste mensen direct naar voor komt is van ja, wat kunnen we doen?  Ah, we gaan hier boompjes planten, sleedoorn of iepen.  Zeker voor de sleedoornpage kan dat een direct positief effect hebben vooral omdat die graag op die jonge sleedoorn hun eitjes afzetten, zien we dat die aanplantacties ineens populaties opduiken die kunnen uitbreiden.  Dus een positieve maatregel.  Dat kan ook zeker binnen een leefgebied het een beetje robuust maken maar ik wil er toch ook wel een lans breken voor een klein beetje meer systeembeheer. Want die iepenpage en sleedoornpage, zijn uiteindelijk ook maar twee soorten die daar deel uitmaken van een ruimere soortengemeenschap.  Het zijn  ten slotte bosrand vlinders, vlinders van bocagelandschap.  En wat eigenlijk belangrijk is, en we gebruiken daar die soorten, die paraplusoorten iepen- en sleedoornpage voor, om aan te werken is in heel veel gevallen is in het landschap… op dit moment zitten we in de situatie dat hier langs de linkerkant wordt afgebeeld, dat is zeer harde grens tussen opgaande bomen en dan de korte vegetatie ernaast.  Een zeer scherpe rand, en dat is niet alleen in het buitengebied, in de landbouwzones ofzo het geval, dat is ook in veel gevallen nog altijd aanwezig in onze natuurgebieden.  Dikwijls wordt toch nog gezegd: tot hier is het bos en daar maaien we voor het grasland.  Dus die harde grenzen zijn toch ook wel aanwezig terwijl in meer natuurlijke systemen is die mantelzoom, die geleidelijke overgang, is dat eigenlijk een essentieel onderdeel en het leefgebied van heel veel soorten, zeker voor de sleedoornpage is deze mantelzoomvegetatie het tophabitat.  Vooral als we dan, je ziet hier een doorsnee, maar als je dat in bovenaanzicht doet,  als je dat een glooiende rand kan geven, dan creëer je allerlei windluwe hoekjes, hoekjes met waar het lekker warm wordt, goed microklimaat, ideaal voor tal van dagvlinders waaronder de sleedoornpage en de iepenpage.
Dat hoeft niet altijd zo complex te zijn.  Zo’n mantelzoom aanleggen, hier zie je zo’n voorbeeld van dat ze eigenlijk gewoon de draad hebben verplaatst met x aantal meters.  Je kan dat best ineens ver genoeg doen.  Je moet dat natuurlijk ook niet doen op uw topgrasland met 15 orchideeën, 15, dat zal moeilijk te vinden zijn, maar alleszins met uw zeldzame soorten of dergelijke maar er zijn altijd wel zones waar je dat spontaan kan laten ontwikkelen.  Bijvoorbeeld in dit voorbeeld op deze locatie zit zowel sleedoornpage, iepenpage en ook een grote populatie kleine ijsvogelvlinder.  
Uiteraard ook als je die draad verzet, heb je nog altijd beheer nodig.  Je moet ook die mantelzoomvegetaties gaan beheren en daarom: actief handelen in de natuur is een belangrijke maatregel en ook die houtkant, die mantelzoomvegetatie kunnen best gefaseerd in hakhout gezet worden waardoor je eigenlijk altijd die vitale, specifiek voor sleedoornpage, die vitale scheuten hebt en uiteraard, bijvoorbeeld in dit geval is een beetje een schematische voorstelling van een houtkant of mantelzoom kun je een overstaander laten staan, ik zeg maar iets, een iep die wel een specifieke bruidsboom is en op die manier kun je eigenlijk uw systemen terug het traditionele beheer geven zoals het ook vroeger het geval was.
Goed.  Dan zijn we bijna op het einde.  Waar zijn die soortspecifieke maatregelen nu  nuttig?
Voor de iepenpage kun je zeggen: die soort zit stevig in de lift.  Die lijkt blijkbaar geen probleem te hebben met ons versnipperd landschap met versnipperd leefgebied.  Een beetje zwart/wit gesteld: die zal zijn plan wel trekken.
De sleedoornpage is eigenlijk een ander verhaal, vooral in Limburg.  In Limburg zien we dat ie het niet goed doet.  Zowel in Belgisch-Limburg als in Nederlands-Limburg doen ze het echt niet goed.  In Nederland monitoren ze dat ook al vele jaren.  We zien dat de populatie in verstedelijkt gebied totaal andere tendens vertoont dan deze in Limburg.  Dus hier zijn soortspecifieke maatregelen wel nodig en we denken in de eerste plaats moet ge werken in het actueel leefgebied zelf, daar waar ze nog voorkomen, die leefgebieden versterken en ervoor zorgen dat die in een betere situatie terecht komen, en dan hebben we het echt specifiek over Riemst, daar de directe omgeving van Kanne, Tiendeberg, het plateau van Caestert, maar ook het uiterste oosten van de Voerstreek. Daar gericht werken aan het nemen van soortspecifieke maatregelen en dan als secundair daaraan, in de directe omgeving van deze leefgebieden, in zuidoost Limburg, maar dan ook meer die regio Halen, Lummen om die populatie die daar in de Demervallei zit van Vlaams-Brabant ook kansen te geven om zich tot in Limburg te kunnen uitbreiden.
Goed.  Wat ik hier ook nog wou zeggen: het zijn paraplusoorten: als je maatregelen neemt, zeker dat systeembeheer, dan weet je dat als je goed beheer doet voor deze soorten dat komt ook andere soorten ten goede als je dan denkt aan die mantelzoomvegetaties in de Voerstreek, ja daar zal een hazelmuis, een grauwe klauwier en dergelijke ook van profiteren.
Goed.  Dan denk ik dat ik rond ben en dan ja, is er nog even tijd voor vragen.

Jan Mampaey
Dank u wel voor de hele uiteenzetting. Er zijn heel wat vragen binnengekomen.  Ik ga die eventjes rustig met u overlopen. De eerste vraag waar veel mensen en eerlijk gezegd ikzelf ook mee zaten: waarom net deze twee  soorten?  Je hebt op het einde al aangegeven van kijk, het zijn paraplusoorten maar je kan toch eigenlijk wel vermoeden dat je iets speciaal hebt met deze twee soorten.  En als je zegt een paraplusoort, waarom heb je dan geen andere gekozen?  Waarom net deze twee soorten om zo grondig onderzoek werkelijk op te doen?

Ilf Jacobs
Ja, ik heb in de afgelopen jaren wel op meer soorten onderzoek gedaan, ook in Limburg, hé.  De heivlinder en de bruine eikenpage en de argusvlinder zou ik aan bod kunnen laten komen maar we kregen maar 45 minuten, dus in principe zijn dat een aantal soorten waar toch wel een  apart verhaal is in Vlaanderen omdat dat zeer mysterieuze soorten zijn waar tot voor kort zeer weinig over geweten was en die dikwijls door vrijwilligers en jan met de pet over het hoofd werden gezien en het is ook door daar gerichte aandacht aan te geven en rond te sensibiliseren dat we een heel groot verschil kunnen maken.  Dus dat is één van die keuzes waarom dat wij hebben ingezet op deze soorten.  Ja, en het is ook door errond te werken dat je merkt van oh ja, in Vlaams-Brabant doet die soort het goed.  Limburg, ik draag Limburg een warm hart toe en wil nu ook niet dat Limburg achterblijft vandaag zoals we hebben voorgesteld.

Jan Mampaey
Ja, het is ook een mooi voorbeeld van het spreekwoord: wie zoekt die vindt.  En je zou er moeten achter zetten “soms” Want dat is ook een vraag die gesteld werd: ah, is de soort zeldzaam of is ze onderbemonsterd?

Ilf Jacobs
Ja, ik denk dat zijn twee verschillende verhalen.  Beide soorten waren onderbemonsterd in het verleden, dat staat vast.  Voor de iepenpage, hij zat er historisch zeer beperkt maar nu heeft hij eigenlijk zoals de rest van Vlaanderen ook Limburg volledig of praktisch volledig gekoloniseerd maar was eigenlijk onder de radar gebleven.  Nu hebben we dus vastgesteld dat als je hier een iep op de parking plaatst en je wacht een paar jaar, je daar wel een iepenpage op kan verwachten.  De sleedoornpage is een soort die het gewoon niet goed doet.  Dus die is niet onderbemonsterd  maar doet het effectief niet goed in Limburg.

Jan Mampaey
OK. Er was ook iemand die zei dat hij vroeger, lang geleden, meer dan 30 jaar geleden, de sleedoornpage ook op grote vuilboom is tegengekomen.  Is dat mogelijk?

Ilf Jacobs
In sommige jaren dalen die vlinders wel een beetje meer af, als je kijkt naar de eikenpage, dat is dus een page die dikwijls helemaal boven in de bomen aanwezig zit.  In sommige jaren zie je er heel veel.
Dat is dan ook soms te wijten aan allerlei andere factoren dat die toch naar beneden komen en uiteraard komt die sleedoornpage af en toe naar beneden en niet alleen om zijn eitjes af te zetten.  En af en toe wordt hij ook nectardrinkend gezien, maar heel heel beperkt.  Maar de vuilboom is natuurlijk een belangrijke nectarplant voor tal van soorten en ik kan me voorstellen dat nectar geapprecieerd wordt door de sleedoornpage maar is toch geen soort dat eruit springt voor die soort.

Jan Mampaey
Een heel technische vraag: In welke maand leggen deze pages hun eitjes?

Ilf Jacobs
Dat is een goeie vraag.  De sleedoornpage is één van onze laatste dagvlinders, die zijn piek van zijn vliegseizoen is in de loop van augustus, eind juli, begin augustus, dus die leggen hun eitjes voornamelijk dan in augustus tot, dat hangt wat van het weer af, tot in september.  Die eitjes overwinteren een heel seizoen lang en de iepenpage legt zijn eitjes in juni-juli. 

Jan Mampaey
Nou, ok. Ja, zelfs als je het hele verhaal van onderbemonstering eventjes terzijde laat, dan zie je dat er een effectieve uitbreiding is, zeker van de iepenpage, dat is op zich goed nieuws in een wereld waar de biodiversiteit, zeker van ongewervelden, gemiddeld gezien fel achteruit gaat.  Welke factoren spelen hiermee?  Hoe komt het volgens jouw inzichten dat die iepenpage, dat die toch heel wat beter doet dan de sleedoornpage, toch niet voor Limburg maar op Vlaams niveau het toch een heel stuk beter doet.

Ilf Jacobs
Ja, dat is moeilijk om daar echt de vinger op te leggen.  Wat is nu de oorzaak dat die soorten aan het toenemen zijn?  Je ziet, uiteraard heb je in de natuur the survival of the fittest, die iepen zijn bijvoorbeeld allemaal massaal afgestorven.  Diegene die wat resistenter zijn tegen die ziekte, dat zijn diegene die zich het meest kunnen voortplanten, dus je kan veronderstellen dat degene die de iepenziekte weten te overwinnen, dat dat diegene zijn die zich verspreiden en dat er stelselmatig meer en meer iepen in het landschap zich beginnen te settelen.  Ook een soort als een vlinder kan op een bepaald moment evolutionair veranderen waardoor er andere strategieën of andere paden gaan bewandelen en  daardoor eigenlijk hun verspreidingsgebied kunnen uitbreiden.  Zo zien we dat bijvoorbeeld ook bij  een soort die vroeger echt zeldzaam was, het bruine blauwtje, die heeft  nu heel Vlaanderen gekoloniseerd.  Dus ja, er zijn een aantal dingen dat we nog altijd niet goed weten wat de oorzaak daarvan is maar dat is natuurlijk het werken met de natuur dat je niet altijd weet wat de oorzaak is, dat blijft het ook een beetje interessant houden.

Jan Mampaey
Ja, daarvoor doen we natuuronderzoek. Ik heb alvast toch goed begrepen dat de nieuwe ziekteresistente variëteiten van iep, die ook massaal als straatboom worden aangeplant, zeker in Nederland, dat dat ook goeie bomen zijn voor de iepenpage.

Ilf Jacobs
Ja, ik heb de iepenpage al ongeveer op elke iep dat ik ben tegengekomen aangetroffen.  Het is zeker geen fijnproever. Ja, of dat nu een pleidooi is om overal cultivars te gaan  aanplanten, dat niet.  Als je dan kijkt naar de presentatie dan ben ik eerder verdediger voor systeembeheer om echt aan biotoopbeheer te doen dan soortspecifieke maatregelen, maar als je moet kiezen tussen een laan aanplanten met Amerikaanse eiken of met iepen, ja, dan denk ik dat de keuze snel gemaakt zou moeten zijn.

Jan Mampaey
En ik onthou ook dat de iepenpage niet vies is van een verstedelijkte omgeving en dat is misschien een plek waar wij net meer bomen, met ons project klimaatbomen, gaan aanplanten en waar we wel een pleidooi willen houden om ook in die aanplantingen iepen tussen te steken.  En dat zou dan ook de iepenpage ten goede komen.  Misschien wordt het dan wel een stadsvlinder.

Ilf Jacobs
Ja, het kan zeker een stadsvlinder worden.  Ik zou de gegevens nog eens moeten nakijken.  Als je kijkt naar Amsterdam, langs al die waterlopen, al die grachten, dat staat allemaal vol met iepen, toen er veel maatregelen om die proberen te redden, maar het is ook niet zo verbazend dat die soort in verstedelijkt gebied toch hun ding kunnen vinden; dat is omdat door die structuurvariatie dat een stad is, heb je ook altijd veel windluwe hoekjes in de stad.  En ik heb het daar nu niet over de volledige geasfalteerde betonvlakte maar eigenlijk eerder de randen van steden en dergelijke.  Dat zijn ook dikwijls op vlak van biodiversiteit nog veel interessantere regio’s dan de groene woestijn die ons omringt op het platteland eigenlijk.

Jan Mampaey
Ja, over dat platteland gesproken, een suggestie of een vraag die gesteld werd: waarom  mogelijks die sleedoornpage het hier zo slecht doet, zouden het pesticidegebruik in fruitplantages een impact kunnen hebben, omdat we net zien, de plekken waar je ze niet en we ze wel verwachten zijn plekken met intensieve fruitteelt, zowel hier als in een stukje nieuw Vlaams-Brabant.  Is door twee mensen gesuggereerd.

Ilf Jacobs
Dat is een idee dat ook al bij mij naar boven is gekomen.  Het is zeer opvallend dat de soort niet voorkomt van Tienen tot min of meer Tongeren.  Het is natuurlijk een regio die gekenmerkt wordt door een zeer open landschap.  Alle twee zijn het altijd nog bosrandsoorten, dus zij zullen wel één of andere vorm van pleinvrees hebben.  Dus ze houden nog altijd eerder van een gesloten systeem.  Daarom dat ze zich bijvoorbeeld ook in het gesloten systeem van een verstedelijkt gebied zich wat meer thuis voelen dan op de grote akkerplateaus.  Maar uiteraard in al die regio’s van de fruitteelt werden of worden nog altijd natuurlijk heel veel van die houtkanten als  meidoorn of sleedoorn…                ja, ik vind bij perenvuurbestrijding worden die ook wel dikwijls verwijderd.  Mogelijk heeft dat een effect maar je ziet toch ook bijvoorbeeld het westen van de Voerstreek, prachtig landschap dat naadloos aansluit bij die populaties van het oosten van de Voerstreek.  Hebben daar zeer hard gezocht en ze zitten er niet.

Jan Mampaey
OK, het blijft mysterieus.
Ik weet niet wat sleedoornpage tegen Limburg heeft.  Moeilijk om iets tegen Limburg te hebben maar misschien dat er toch nog andere factoren spelen.  Een voorlaatste vraag: Komen al die eitjes wel uit want je gaat eitjes tellen en je noemt dat dan een waarneming, maar wie zegt dat al die eitjes volwassen vlinders worden?  Hoe groot is de kans dat je vanuit een eitje een volwassen vlinder krijgt en hoe bereken je dat?  Hoe neem je dat mee in uw tellingen?

Ilf Jacobs
Ja, het aantal, de eitjes zoeken van een sleedoornpage is vooral een heel interessante methode om te weten waar de soort aanwezig is.  In principe, dat eitje is gelegd door een vrouwtje van de sleedoornpage, dus je weet hier is een vrouwtje van een sleedoornpage gepasseerd.  Zo één vrouwtje, dat kan relatief veel eitjes leggen.  Dat kan dat ook doen in heel de maand augustus, en een stukske in juli en september, maar als je dan gericht dat vlindertje wil gaan zoeken dan moet je het juiste moment gaan zoeken.  Ze komen dan maar amper naar beneden terwijl dat die eitjes, die zitten daar laag op ooghoogte of zelfs nog lager, heel de winter.  Als het regent kan je een regenjas  aandoen, je kan dat een heel seizoen doen.
Er zijn wel onderzoeken geweest van hoeveel eitjes er daar van uitkomen maar dat is natuurlijk…, ja, veel vlinders hebben de methode zoals bij kikkers, zeer veel nakomelingen produceren en er zijn er maar een aantal die effectief het adulte stadium bereiken maar wat je wel ziet is dat we meestal ook noteren, dat is of die eitjes geparasiteerd zijn.  Er zijn een aantal soorten van die pages waar die eitjes geparasiteerd worden door sluipwespen; en zowel bij de sleedoornpage als bij de iepenpage vind je soms geparasiteerde eitjes, daar komt iets anders uit dan die vlinder, maar misschien zijn die sluipwespen nog zeldzamer, dus misschien moeten we daar blij mee zijn.  Maar bijvoorbeeld een soort als de bruine eikenpage, je vindt bijna geen eitjes die niet geparasiteerd zijn, dus ja hoeveel vlinders dat er effectief uitkomen, ja, daar zullen we nog eens een ander project voor moeten uitrollen, maar ja, blijkbaar is het vooral een manier om te weten waar dat de begrenzingen zijn van het leefgebied.  Waar dat een vrouwtje gepasseerd is.

Jan Mampaey
Ja, maar de getallen die nu in waarnemingen.be zijn opgenomen, daar zitten toch ook de eitjes bij ?

Ilf Jacobs
Voor de sleedoornpage zullen dat 99% eitjes zijn.

Jan Mampaey
Ok, dus het werkelijke aantal vlinders is …….

Ilf Jacobs:
Beduidend lager.

Jan Mampaey:
Zo gigantisch veel, ja, hadden we er ook niet hé

Ilf Jacobs:
Nee, nee, nee, nee.
Ik moet toegeven, ik heb denk ik, drie dagen in de Voerstreek rondgelopen.  Ik moet even nakijken hoeveel dat ik er had, ik denk dat ik er misschien 10-15 had..  Ik heb wel een mooie tuin maar als ik een kwartier in mijn tuin kijk dan heb ik er meer.

Jan Mampaey:
Ja

Ilf Jacobs:
Dus we hebben er niet veel in Limburg

Jan Mampaey:
OK, achteraf gezien zeker een hele goede vraag.Goed.

Laatste vraag voor u: het was vorig jaar een bizar seizoen voor natuuronderzoek met heel wat maatregelen door corona, die toch wel wat impact gehad hebben.  Langs de andere kant was het heel goed weer.  Ik heb begrepen dat je vorig jaar niet zo heel veel bent gaan zoeken omdat je al heel veel jaren ervoor gezocht had.  Was het vorig jaar, denk je, een goed jaar voor de pages die je onderzocht hebt en is er toch ook nog impact geweest van de hele coronapandemie op je onderzoek?

Ilf Jacobs:
Jawel, er zijn sowieso verschillende impactelementen natuurlijk.  Ten eerste zitten we eigenlijk al drie jaar op rij met hitterecords bijna, dus dat wordt spijtig genoeg misschien het nieuwe normaal.  Die iepenpage vindt dat blijkbaar toch wel oké want ik ben nog op terrein geweest dat het extreem warm was en dan vliegen die ook.  Soms passen die soorten zich een beetje aan.  Je ziet soms dat een vlinder, da’s een thermofiel, dat is een warmteminnende soort, dat die specifiek warme plekjes opzoekt, maar als alles bloedheet is, dan kan het zijn dat ie juist in de halfschaduw gaat vliegen.  Je moet ook wel als onderzoeker je een beetje aanpassen aan de gewoonten van de vlinder.  En uiteraard zien we voor de sleedoornpage, we hebben dat onderzoek nu gedaan vorige winter, en je hebt dus altijd een meeteffect na het vliegseizoen eigenlijk hé, maar  sowieso hebben die extreme weersituaties… voor kleine populaties kan dat soms wel dramatische effecten hebben want het kan bijvoorbeeld zijn als een vlinder zijn eitjes afzet op een warme struikje en het jaar daarna heb je een extreem nat of koel jaar dat er juist een rupsje niet goed tot ontwikkeling kan komen.  Dus die onvoorspelbaarheid maakt het voor veel soorten toch niet gemakkelijker.

Jan Mampaey:
Na de zomer worden de eitjes gekookt en in de winter dan diepgevroren .

Ilf Jacobs:
Ja, je kan toch ook wel zien, die koude dat is een minder probleem, die soort komen toch ook voor in Continentaal Europa.  Het is eerder die onvoorspelbaarheid dat het voor een aantal soorten moeilijker is.

Jan Mampaey:
Ok, Ilf, hartelijk dank voor de hele uiteenzetting.  We hebben veel bijgeleerd.

Ilf Jacobs:
Graag gedaan.

Jan Mampaey:
2 pages hier in Limburg.
Dank u wel en tot een volgende keer, allicht over een ander vlindertje.
Goed.  En hiermee zijn we ook aan het einde van de vijfde dag van onze contactweek.

Ik wil iedereen nog hartelijk uitnodigen op onze contactdag van morgen.  Normaal was het morgen de traditionele contactdag in Diepenbeek.  Je moet morgen niet naar Diepenbeek gaan, gewoon online kijken en voor een heel boeiende presentatie.  We beginnen, als ik mij niet vergis, om drie uur, om half vier.  Oké, wij zijn hier al om drie uur.  Maar om half vier starten we met een boeiend programma.  Dus nog een prettige avond en hopelijk tot morg

  • Start
  • Natuuronderzoek
  • Webinar - Sleedoorn- en Iepenpage in Limburg: tweemaal een verschillende verhaal