De provincie Limburg gebruikt cookies om jouw surfervaring op deze website gemakkelijker te maken.

Strict noodzakelijke cookies
Deze cookies zijn strikt noodzakelijk om over de site te navigeren, of om te voorzien in door u aangevraagde faciliteiten.
Functionaliteitscookies
Deze cookies verbeteren van de functionaliteit van de website door het opslaan van uw voorkeuren.
Prestatiecookies
Deze cookies helpen om de prestaties van de website te verbeteren, waardoor een betere gebruikerservaring ontstaat.
Online surfgedrag gebaseerde reclame cookies
Deze cookies worden gebruikt om op de gebruiker toegesneden reclame en andere informatie te tonen.
Kinderopvang

A tot Z (Tips en tricks)

Praat met kinderen

E = K x A

Effect = Kwaliteit van de taal begeleider X Acceptatie en welbevinden van het kind

  • Praat met kinderen, zorg dat ze zich goed voelen in de BKO en toon een respectvolle houding t.a.v. hun persoonlijkheid en identiteit. Pas als je hieraan voldoet kun je kinderen corrigeren op hun taalfouten.
  • Praat spontaan en natuurlijk over wat het kind doet en beleeft.
    • Wel: een kind zijn veter is los en loopt hiermee naar de begeleider. “Ah Thomas ik zie dat je veter los zit, zal ik hem even knopen”. Hurkt neer, knoopt veter en tegelijkertijd vertelt de begeleider “We gaan een mooie knoop in de veter maken hé!”.
    • Niet: een kind zijn veter is los en loopt hiermee naar de begeleider. De begeleider hurkt neer en knoopt veter, “Voila se”.
  • Spreek in korte, maar volledige zinnen.
    • Wel: “Neem deze stift maar!”
    • Niet: “Neem deze maar.”
  • Praat op een rustig tempo.
  • Leg de nadruk op kernwoorden (door verandering in toonhoogte, tempo, volume, plaats in de zin, herhaling).
    • Wel: begeleider: “Oei de verf is op de grond gevallen. Dat is niet zo erg, ik zal het even opkuisen.”
    • Niet: kind laat verf vallen op de grond. Begeleider: “Oei, het valt.”
  • Praat op een niet-vereenvoudigde manier. Bijvoorbeeld door voorwerpen aan te wijzen en er de aandacht op te vestigen met woordjes als "dat", "hier", "kijk", "zo", ...
    • Wel: “Waar is de muis? Oh daar, achter de boeken!”
    • Niet: “Waar is het? Oh daar.”
  • Vertrek vanuit concrete ervaringen die zich hier en nu voordoen.