De provincie Limburg gebruikt cookies om jouw surfervaring op deze website gemakkelijker te maken. Meer info
Ga verder

Provinciebelastingen bedrijven 2016

Algemene provinciebelasting bedrijven

Gelet op de provinciale budgetnoodwendigheden;

Gelet op het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister, zoals herhaaldelijk gewijzigd;

Gelet op het provinciedecreet van 9 december 2005, zoals gewijzigd;

Gelet op het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, zoals gewijzigd bij het decreet van 28 mei 2015 en het decreet van 17 februari 2012;

Besluit

Artikel 1

Er wordt voor het aanslagjaar 2016, een algemene provinciebelasting geheven ten behoeve van de provincie Limburg op de bedrijven en economische entiteiten, opgesomd in art.2, tot dekking van de uitgaven van het provinciaal beleid.

Artikel 2

§1. De belasting wordt gevestigd ten laste van de natuurlijke personen en de rechtspersonen die op 1 januari van het aanslagjaar, als hoofd- en/of bijkomende activiteit, in de provincie Limburg een economische activiteit in de ruimste zin van het woord uitoefenen, inbegrepen de nijverheids-, landbouw-, tuinbouw-, of handelsactiviteiten, de patrimoniumvennootschappen, de burgerlijke vennootschappen, de vzw's, de rechtspersonen in vereffening en de beoefenaars van een vrij beroep.

§2. "Voor de toepassing van deze verordening wordt eenieder die houder is van een BTW-nummer en/of ondernemingsnummer op 1 januari van het aanslagjaar, beschouwd als een beoefenaar van een belastbare activiteit."

Artikel 3

§1. De belasting is verschuldigd afzonderlijk per vestiging, hoe ook genoemd, op het grondgebied van de provincie Limburg, en door de belastingschuldige gebruikt of tot zijn/haar gebruik voorbehouden.

§2. Onder "vestiging" wordt in het kader van dit reglement verstaan "de onbebouwde en/of bebouwde oppervlakte die de belastingschuldige voor de bedrijfsexploitatie gebruikt of tot het gebruik voorbehouden heeft".

§3. Onder "bebouwde oppervlakte" wordt verstaan de oppervlakten van bouwwerken, constructies en/of installaties die door hun aard op duurzame en gebruikelijke wijze ter plaatse blijven staan, onder "onbebouwde oppervlakte" wordt verstaan de oppervlakte die geen bebouwde oppervlakte is.

§4. De gronden en gebouwen tot zijn gebruik voorbehouden, zijn deze die de belastingschuldige op 1 januari van het aanslagjaar niet effectief gebruikt voor zijn exploitatie, maar waarover hij/zij op elk
ogenblik kan beschikken om tot effectief gebruik over te gaan. De bufferzones maken een integrerend deel uit van de bedrijfsexploitatie en zijn aldus belastbaar.

§5. De belasting blijft verschuldigd zolang de oppervlakte niet daadwerkelijk wordt aangewend voor een niet-belastbare bestemming.

§6. De belasting wordt, ongeacht de kadastrale indeling, vastgesteld rekening houdend met de totale bebouwde en/of onbebouwde oppervlakte van het goed.

§7. Indien op een goed onderscheiden vestigingen voorkomen, wordt de aanslag vastgesteld op basis van de oppervlakte die de belastingschuldige in gebruik heeft of tot zijn gebruik voorbehouden heeft. Worden de bebouwde of onbebouwde gedeelten van het goed gemeenschappelijk gebruikt (of tot het gebruik voorbehouden), dan wordt de oppervlakte van dit gedeelte dat in aanmerking te nemen is, berekend door de totale bebouwde / onbebouwde oppervlakte pro rata te verdelen over het aantal vestigingen.

§8. Voor de bebouwde oppervlakte worden alle bouwlagen afzonderlijk geteld.

§9. Iedereen opgesomd in art.2 wordt geacht over een belastbare vestiging te beschikken waarvoor minstens de minimumbelasting verschuldigd is.

§10. Worden eveneens geacht te beschikken over een belastbare vestiging zij die hun beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten geheel of gedeeltelijk uitoefenen alwaar zij niet hoofdzakelijk verblijven en/of
gedomicilieerd zijn.

§ 11. Alle economische activiteiten, uitgeoefend in hoofd- of bij-activiteit, welke worden uitgevoerd onder om het even welke juridische vorm, worden belast.

Artikel 4

Voor de recreatiesector (campings, bungalowparken, sportverenigingen, manèges) worden de groengebieden, vijvers, waterplassen en sportterreinen in open lucht, vrijgesteld van belasting.

Artikel 5

Voor de grinderijen en groeven wordt onder bebouwde oppervlakte verstaan: de oppervlakte van de bedrijfsgebouwen, de oppervlakte in beslag genomen door de verwerkingsinstallaties in open lucht (transportbanden, baggerschepen, breekinstallaties, laadplaatsen) en de terreinen welke in exploitatie zijn (in het aanslagjaar) met inbegrip van de onafgewerkte oevers en taluds.

Onder onbebouwde oppervlakte wordt verstaan: de andere terreinen welke nodig zijn voor de exploitatie (toegangswegen, interne transportwegen, parkings, opslagplaatsen) en alle terreinen welke zijn
voorbehouden voor exploitatie.

Tot de terreinen voorbehouden voor exploitatie behoren:

  • de terreinen waarvoor een exploitatievergunning werd bekomen en welke niet voor andere doeleinden worden gebruikt;
  • de terreinen waarvoor de belastingschuldige over een zakelijk recht tot ontgrinding beschikt;
  • de terreinen in eigendom van de belastingschuldige, waarop een exploitatierecht verkregen wordt in het kader van het grinddecreet;
  • de terreinen waarop de exploitatie geheel of gedeeltelijk is beëindigd, maar welke nog kunnen gebruikt worden voor verdere exploitatie (nabaggeren, baggeren van andere grondstoffen) of stockage.

Artikel 6

De belasting is per vestiging als volgt vastgesteld:

A. voor andere activiteiten dan land- en tuinbouwbedrijven beschikkend over een oppervlakte:

  • tot l ha
    • 0,02 euro/m2 bebouwde oppervlakte
    • 0,01 euro/m2 onbebouwde oppervlakte
    • met een minimum van 62,00 euro
  • meer dan 1 ha
    • 0,20 euro/m, bebouwde oppervlakte
    • 0,07 euro/m2 onbebouwde oppervlakte.

B. voor landen tuinbouwbedrijven:

a. landbouwbedrijven:

  • forfaitair: 62,00 euro tot een oppervlakte van 20 ha
  • meer dan 20 ha: 62,00 euro, vermeerderd met 5,00 euro per bijkomende ha of gedeelte van ha

b. tuinbouwbedrijven:

  1. uitsluitend in open lucht:
    • forfaitair: 62,00 euro tot een oppervlakte van 2 ha
    • meer dan 2 ha: 62,00 euro, vermeerderd met 19,00 euro per bijkomende ha of gedeelte van ha;
  2. uitsluitend onder glas:
    • forfaitair: 62,00 euro tot een oppervlakte van 3.000 m2
    • meer dan 3 000 m2: 62,00 euro vermeerderd met 0,02 euro per bijkomende m2 of gedeelte van m2.
    • Onder "glas" wordt verstaan een stevige en duurzame constructie.
  3. gemengde tuinbouwbedrijven (exploitaties zowel in open lucht als onder glas):
    • forfaitair: 62,00 euro tot een oppervlakte van 2 ha in open lucht en 3.000 m2 onder glas
    • voor een oppervlakte boven de 2 ha en/of 3.000 m2 wordt het forfaitaire bedrag vermeerderd met 19,00 euro per bijkomende ha of gedeelte van ha in open lucht en met 0,02 euro per bijkomende m2 of gedeelte van m2 onder glas.

c. forfaitair 62,00 euro, vermeerderd met:

  • voor het gedeelte landbouw:
    • 5,00 euro per bijkomende ha of gedeelte van ha boven de 20 ha
  • voor het gedeelte tuinbouw:
    • uitsluitend in open lucht: boven de 2 ha: vermeerdering van 19,00 euro per bijkomende ha of gedeelte van ha
    • uitsluitend onder glas: meer dan 3.000 m2: vermeerdering van 0,02 euro per bijkomende m2 of gedeelte van m2
    • Onder "glas" wordt verstaan een stevige en duurzame constructie.
    • gemengde exploitatie (zowel in open lucht als onder glas):
      • gedeelte in open lucht: boven de 2 ha: vermeerdering van 19,00 euro per bijkomende ha of gedeelte van ha
      • gedeelte onder glas: meer dan 3.000 m2: vermeerdering van 0,02 euro per bijkomende m2 of gedeelte van m2 onder glas.
      • Onder "glas" wordt verstaan een stevige en duurzame constructie.

De belasting is ondeelbaar verschuldigd voor het hele jaar. Voor de vaststelling van de belasting wordt de toestand op 1 januari van het aanslagjaar in aanmerking genomen.

Artikel 7

§1. Elke belastingschuldige is verplicht per vestiging, een aangifte te doen, op een aangifteformulier dat het provinciebestuur Limburg ter beschikking stelt.

§2. In afwijking van art. 7, §1 worden een aantal belastingschuldigen vrijgesteld van aangifteplicht, tenzij de administratie hen verzoekt om een aangifte te doen.

Er wordt een vrijstelling van aangifteplicht verleend voor die belastingschuldigen die aan het minimumtarief belastbaar zijn. De administratie zendt aan deze belastingschuldigen een voorstel tot aanslag, conform de procedure hieronder verder bepaald.

§3. Eenieder aan wie een aangifteformulier wordt toegezonden, is verplicht dit ingevuld en ondertekend binnen de voorziene termijn in te dienen bij het provinciebestuur Limburg.

Artikel 8

Aan de belastingschuldigen die zijn vrijgesteld van aangifteplicht wordt een "voorstel van aanslag" toegestuurd. Dit voorstel van aanslag vermeldt de belastbare grondslag en de daarop verschuldigde belasting, en eventueel alle inlichtingen en gegevens die in aanmerking zijn genomen.

Artikel 9

Indien de belastingschuldige akkoord gaat met het voorstel van aanslag, moet hij niet reageren. De aanslag zal in dat geval gevestigd worden op de in het voorstel van aanslag vermelde gegevens.

Artikel l0

Indien de belastingschuldige niet akkoord gaat met de grondslag en/of de berekening van de aanslag zoals vermeld in het voorstel van aanslag, dient hij/zij de administratie daarvan binnen één maand na de verzendingsdatum van het voorstel van aanslag schriftelijk in kennis te stellen met vermelding van zijn/haar motieven.

Artikel 11

Elke belastingschuldige moet binnen dezelfde termijn iedere andere onjuistheid of onvolledigheid van het voorstel van aanslag aan de administratie meedelen.

Artikel l2

§1. Het voorstel van aanslag, aangevuld met de gegevens die de belastingschuldige binnen de in art. 10 en 1 1 vermelde termijn, heeft ter kennis gebracht, heeft dezelfde waarde als een in de voorgeschreven vormen en termijnen gedane aangifte.

§2. Indien de belastingschuldige evenwel de in art, 10 en 11 vermelde verplichting niet heeft nageleefd wordt het voorstel van aanslag met een onvolledige of onjuiste aangifte gelijkgesteld.

Artikel l3

De aanslag wordt gevestigd al naargelang de toepasselijke procedure, ofwel conform het voorstel van aanslag, ofwel conform de aangifte, ofwel ingeval van onjuiste, onvolledige en/of onnauwkeurige aangifte van ambtswege.

Artikel 14

§1. Bij gebrek aan aangifte binnen de gestelde termijn, zijnde één maand na de verzendingsdatum van het aangifteformulier, of ingeval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte wordt de belasting ambtshalve ingekohierd.

§2. Vooraleer wordt overgegaan tot de ambtshalve vaststelling van de belastingaanslag, betekent de deputatie aan de belastingschuldige, per aangetekend schrijven, de motieven om gebruik te maken van deze procedure, de elementen waarop de aanslag is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van de elementen en het bedrag van de belasting.

§3. Inzake de procedure ingeval van ambtshalve inkohiering wordt verwezen naar het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen.

Artikel l5

Niet tijdige, onjuiste of onvolledige aangifte, alsmede het gebrek aan aangifte geeft aanleiding tot de belastingverhogingen zoals bepaald in art. 16 van dit reglement. De ambtshalve ingekohierde belasting en de belastingverhoging worden opgenomen in kohieren.

Artikel l6

§1. Ingeval van ambtshalve inkohiering wordt de verschuldigde belasting verhoogd met volgende belastingverhogingen:

  • ingeval van goede trouw van de belastingschuldige:
    • eerste overtreding: 20 % verhoging van de ontdoken belasting met een minimumverhoging van 12,50 euro
    • tweede overtreding: 50 % verhoging van de ontdoken belasting met een minimumverhoging van 25,00 euro
    • vanaf de derde overtreding: 100 % verhoging van de ontdoken belasting.
  • ingeval van kwade trouw van de belastingschuldige:
    • 100 % verhoging van de ontdoken belasting vanaf de eerste overtreding.

§2. Bij tijdige en correcte aangifte gedurende twee opeenvolgende jaren begint een nieuwe termijn van aangiftegedrag te lopen.

§3. De verhoging kan maximaal aanleiding geven tot een verdubbeling van de aanslag.

§4. De overtredingen worden vastgesteld door provincieambtenaren, daartoe aangewezen door de deputatie. De door hen opgestelde processen-verbaal hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel.

Artikel l7

De belasting wordt geïnd door de financieel beheerder van de provincie Limburg. De aanslag moet binnen de twee maanden volgende op het aanslagbiljet betaald zijn op de aangeduide rekening. Eens de betalingstermijn verstreken is, worden de invordering en vervolging gedaan door de financieel beheerder van de provincie Limburg.

Artikel 18

De belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger kan tegen een aanslag, een belastingverhoging of een administratieve geldboete, een bezwaarschrift indienen bij de deputatie van de provincie Limburg, die handelt als administratieve overheid.

Het bezwaar moet schriftelijk en gemotiveerd en ondertekend worden ingediend bij de deputatie van de provincie Limburg, Universiteitslaan 1 te 3500 Hasselt, binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de derde kalenderdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet of vanaf de kennisgeving van de aanslag.

Het bezwaar kan ook worden ingediend via e-mail op het e-mail adres dat vermeld is op het aanslagbiljet, binnen de termijn zoals hierboven bepaald.

De belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger kan in zijn/haar bezwaarschrift vragen om gehoord te worden.

Hasselt, 27 november 2015

De provinciegriffier,
Renata Camps,

De voorzitter,
Gilbert Van Baelen